Wat daders zoal achterlaten

forensisch onderzoek

Sporenonderzoek heeft zich ontwikkeld van ambacht tot wetenschap.

Foto Anp

Forensisch handschriftdeskundige Linda Alewijnse kreeg enige tijd geleden een tekening met plattegrond van een gevangenis, met een cellenblok en een soort ontsnappingsroute. Er stond ook wat tekst op gekrabbeld. De vraag aan Alewijnse was of het handschrift overeenkwam met dat van een brief van dezelfde gedetineerde T.

“In het dossier stond dat de tekening was gevonden in zijn cel”, vertelt Alewijnse. “Dat werkt sturend.” Daarom had ze dat niet willen weten, zegt Alewijnse, die is verbonden aan het het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Den Haag: “Ik had alleen die twee blaadjes willen hebben. Ik wil geen informatie over de vindplaats, verdachte of de manier waarop het delict heeft plaatsgevonden.” Zo wapent Alewijnse zich graag tegen de zogeheten context bias, het vooroordeel dat een onderzoeker zich onbewust kan vormen door informatie over de context.

Alewijnse probeert haar onderzoeksmethoden steeds meer “te standaardiseren en te objectiveren”. Nu bouwt ze met de Rijksuniversiteit Groningen aan een database met (nu nog ongeveer 900) handschriften. “De computer vergelijkt het handschrift van een nieuwe dreigbrief met handschriften in de database, waarbij onder meer wordt gekeken naar de breedte van het inktspoor en de krommingen van de lijnen. Dan krijg je een top-10 van de handschriften die het meest op de nieuwe lijken.”

Ook de andere experts van het NFI, met wie ik in meerdere interviewsessies sprak, zijn vervuld van de missie om het sporenonderzoek na een misdrijf naar een hoger plan te tillen. De een legt bevlogen uit dat het NFI niet alleen een uitspraak doet over de kans dat een explosiespoortje op de kleding van een verdachte afkomstig is van een bepaalde partij TNT, maar ook hoe groot de kans is dat dit niet zo is. De ander vertelt gepassioneerd dat twee stukken duct tape wel op elkaar kunnen lijken, maar dat dit alleen iets zegt als je weet hoe groot de variatie onder duct tape-rollen in het algemeen is – en dat weten ze op het NFI, want ze hebben er een enorme databank met tapemonsters.

De betogen illustreren de gedaanteverwisseling van het NFI van een ambachtelijke instelling tot een wetenschappelijk instituut, dat naast de zaaksonderzoeken ook fundamenteel forensisch onderzoek doet. Zo zegt Gerard van der Peijl, die onder meer isotopenonderzoek doet: “Twintig jaar geleden deed ik vooral zaken, de afgelopen tien jaar is er meer tijd voor wetenschappelijk onderzoek en het schrijven van publicaties.” In die periode liep het totale aantal publicaties van het NFI op van pakweg 30 tot 40 per jaar, tot zo’n 50 per jaar – met een uitschieter van 87 in 2008.

Soms doet Van der Peijl voor een publicatie extra onderzoek, dat voor een zaak niet meer nodig is. Zo werd Noordoost-Groningen een jaar of vijf terug geteisterd door brandstichtingen in schuurtjes. De politie arresteerde een persoon die een stuk kaars in de broekzak had. Op de plaatsen delict waren stompjes kaars uit de brand gered. Was er een verband? Ja, concludeerden Van der Peijl en zijn collega’s, die 150 dozen kaarsen uit heel Nederland hadden verzameld: “De samenstelling van de kaars in de broekzak was bijzonder en kwam overeen met het stompje kaars van de laatste brandstichting.” De politie legde uiteindelijk een verband tussen verdachte en delict door DNA, maar Van der Peijl ging door met het ‘kaarsenonderzoek’: “Want de paraffines in kaarsen zitten ook in lucifers en was. Dit onderzoek had een breder belang.”

Bij het NFI is Van der Peijl geen uitzondering. Titia Sijen, teamleider bij de afdeling humane biologische sporen, besteedt maximaal 15 procent van haar tijd aan zaaksonderzoek; de rest aan het begeleiden van promovendi en aan innovatie. Zes onderzoeken van het NFI met Nederlandse universiteiten, die in 2016 klaar moeten zijn, hebben een subsidie gekregen van het NWO, de grootste financier van wetenschappelijk onderzoek in Nederland. Onderzoekers van het NFI zijn bij drie universiteiten (Leiden, Amsterdam, Nijmegen) hoogleraar.

“Daarin is het NFI echt bijzonder”, zegt de Amerikaanse hoogleraar Keith Inman (California State University), een van ’s werelds meest vooraanstaande forensisch onderzoekers. Inman, co-auteur van het standaardwerk Principles and Practice of Criminalistics (2001) en tegenwoordig gespecialiseerd in cold cases, was onlangs in Nederland voor een congres. “In de VS doen forensische experts alleen zaaksonderzoeken, waarin de rechercheurs de leiding hebben. Het NFI doet fundamenteel onderzoek in de forensische wetenschappen. Bij het vinden van nieuwe wegen is het NFI wereldwijd een van de koplopers.”

Bij die nieuwe wegen, die staan beschreven in de losse stukjes op deze pagina’s, zijn twee hoofdroutes te onderscheiden. De ene route moet leiden tot een waarborg tegen de al genoemde ‘context bias’ bij het sporenonderzoek. De andere moet ertoe leiden dat onderzoekers straks meer kunnen vertellen over wat de verdachten aan het doen waren toen zij sporen achterlieten.

Langs de eerste route liggen vluchtstroken, die moeten voorkomen dat forensisch onderzoekers te veel horen over de ‘context’ van een politieonderzoek. Zeker bij grote onderzoeken wordt de ‘intake’ gedaan door NFI-experts die de onderzoeksvragen niet zelf beantwoorden maar doorgeven aan collega’s. Onderzoekers krijgen dan weinig of geen achtergrondinformatie over de verdachte.

Dat is overigens in de praktijk niet altijd eenvoudig, omdat onderzoekers soms wel degelijk achtergrondinformatie nodig hebben.

Zo wil handschriftdeskundige Alewijnse wel graag weten of een briefschrijver bijvoorbeeld parkinson heeft: “Soms zie je een afname in hoe goed iemand schrijft, met steeds meer trillingen. Aangezien tremoren in het handschrift ook vervalsingskenmerken kunnen zijn, is dit belangrijke informatie voor de interpretatie van je sporen.”

Achterhalen wanneer iets is gebeurd hoort bij de tweede route, die van ‘bron naar activiteit’, zoals Arian van Asten het noemt. Hij is hoogleraar forensische analytische scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam en is verbonden aan het NFI. “Jaren lang ging het erom zoveel mogelijk informatie uit een spoor te halen. Nu proberen we ook te achterhalen hoe dat spoor er is gekomen.”

Van Asten wijst op zijn koffiebekertje: “Als daarop naast mijn vingerafdrukken ook speekselsporen zitten, is het aannemelijk dat ik ervan heb gedronken.”

Een wat ingewikkelder voorbeeld komt van de explosievenexperts Mattijs Koeberg en Hanneke Brust. “In een geval werden op de kleding van een verdachte sporen van explosieven gevonden. Zijn verhaal was: ik had explosieven in huis en ja, ik had ze ook wel aangeraakt, maar niet tot ontploffing gebracht. Maar wij zagen dat de afbraakproducten in zijn kleding niet wezen op natuurlijke degradatie van de stof, maar op een explosie.”

Inman waarschuwt nu al voorzichtig om niet te streven naar reconstructies zoals je die in misdaadseries wel ziet: “Zeker in de VS hebben deskundigen vaak de ambitie om een ‘video-opname’ van de gebeurtenis te maken, omdat de mens nu eenmaal de neiging heeft om een verhaal te vertellen. Maar deskundigen leggen verbanden tussen sporen en de verdachte en tussen sporen onderling – meer niet. We hebben geen data voor verhalen.”

Van Asten is zich van de gevaren bewust, zegt hij: “Je wilt zoveel mogelijk informatie geven, maar tegelijkertijd laat de deskundige zich per definitie niet uit over de schuldvraag. Een reconstructie biedt nooit zekerheid, we kunnen alleen iets zeggen over de waarschijnlijkheid van het bewijs.”