Puberseks in Samoa: de nieuwste rel

antropologie Margaret Mead schreef in 1928 een boek over vrije puberseks in Samoa. In 1983 zei Derek Freeman dat ze zich bij de neus had laten nemen. Maar nu blijkt weer dat Freeman zijn bron heeft gemanipuleerd.

‘Als de dageraad zich aandient boven zacht-bruine daken en slanke palmen zich aftekenen tegen een effen glanzende zee, haasten minnaars zich van hun afspraakjes onder de palmen, of bij de op het strand getrokken kano’s, terug naar huis, zodat het daglicht ieder op zijn eigen plek zal vinden.’

Ochtendgloren in Samoa, een eilandketen in westelijk Polynesië. De passage kan zó zijn gelicht uit Tales of the South Pacific (1947) van romancier James Michener. Maar het zijn de openingszinnen van een academische klassieker: Coming of Age in Samoa (1928) van de Amerikaanse antropoloog Margaret Mead.

Het boek, een bestseller, was ammunitie in de seksuele revolutie van de jaren zestig en was na Meads dood inzet van misschien wel het felste academische dispuut van de twintigste eeuw. Daarin lag zowel Mead als de discipline antropologie onder vuur. Deze ruzie beleeft nu een apotheose in het vakblad Current Anthropology (2013/1). Meads aanklager, die haar in 1983 betichtte van ‘goedgelovigheid’ en ‘zelfbedrog’, krijgt zelf de wind van voren. Hij zou de verklaringen van een hoogbejaarde Samoaanse getuige, waaruit Meads onbegrip zou blijken, naar zijn hand hebben gezet en er uiterst selectief uit hebben geciteerd.

Margaret Mead (1901-1978) deed in 1925-’26 veldwerk in Amerikaans Samoa, de oostelijke eilanden van de archipel. In Coming of Age beschreef ze de lotgevallen van 68 meisjes, tussen 9 en 20 jaar jong. Ze concludeerde dat zich in de overgang van kindertijd naar volwassenheid geen spanningen van betekenis voordeden in Samoa, zoals in de Verenigde Staten. Mead schreef het uitblijven van puberteitsproblemen toe aan de ontspannen seksuele moraal en de vrije seks tussen nog ongetrouwde meisjes en jongens. Zoals blijkt uit de ondertitel van haar boek – A Psychological Study of Primitive Youth for Western Civilization – hield ze volwassenwording in Samoa als spiegel voor aan haar westerse tijdgenoten.

In 1983, vijf jaar na de dood van Mead, opende de Nieuw-Zeelandse antropoloog Derek Freeman (1916-2001) een frontale aanval in zijn boek Margaret Mead and Samoa – The Making and Unmaking of an Anthropological Myth. Freeman gaf op basis van eigen veldwerk in 1966-’67 een heel ander beeld van de seksuele mores in Samoa dan Mead. Hij schreef over stress onder pubers en over restricties op de omgang van jongens en meisjes, seksueel geweld, jeugdcriminaliteit en hoge zelfmoordcijfers. Missionarissen in het victoriaanse tijdperk hadden puberseks verboden en campagne gevoerd tegen de luchtige kleding van Samoaanse vrouwen. Maar Freeman beschreef ook een veel oudere maagdencultus in Samoa.

Hij ging uitvoerig in op het traditionele instituut van taupou – ceremoniële maagden. Dat waren in de regel dochters van hoofden. Zij waren de lievelingen van het dorp, kregen een uitstekende opvoeding en werden voortdurend gechaperonneerd door oude vrouwen. Een taupou nam deel aan de ceremoniële ontvangst van hoge gasten en aan vergaderingen waar alleen hoofden toegang hadden. Bij haar huwelijk, altijd met een jong hoofd, werd ze door de bruidegom publiekelijk ontmaagd. Als ze geen maagd meer bleek te zijn, werd ze te kijk gezet als hoer en door haar eigen broers afgeranseld en weggestuurd. Toen Mead veldwerk deed, had de taupou als gevolg van missie en zending aan betekenis ingeboet, maar het instituut bestond nog steeds.

Als de Nieuw-Zeelander gelijk had, hoe kwam Mead dan aan een zo afwijkend beeld? Freeman suggereert in zijn boek dat zij zich voor de gek had laten houden door twee Samoaanse meisjes, die tegenover haar hadden opgeschept over hun nachtelijke avonturen met jongens.

Zes jaar later voerde Freeman in het tijdschrift American Anthropologist (1989/4) een kroongetuige ten tonele: de hoogbejaarde Fa’apua’a, in haar jonge jaren taupou. Zij zou in 1926 ‘sleutelinformant’ van Mead zijn geweest – en ze zou Freeman in 1987 hebben verteld dat zij en een leeftijdgenote, Fofoa, Mead om de tuin hadden geleid. Ze hadden wat gedold, dat was alles. Seks voor het huwelijk? Geen sprake van!

Freeman zette Mead in deze en volgende publicaties weg als ‘een goedgelovige jonge vrouw’, die ‘cognitief was misleid’. Het heeft haar reputatie, maar ook die van haar discipline, ernstig beschadigd.

In het jongste nummer van Current Anthropology komt Paul Shankman, een Samoa-expert van de universiteit van Colorado, met nieuw bewijs in de zaak Mead-Freeman. Hij kreeg kort voor Freemans dood in 2001 toegang tot diens persoonlijke archief, dat Freeman had nagelaten aan de University of California in San Diego. Daarin vond Shankman de transcripten van drie interviews – in 1987, 1988 en 1993 – met Fa’apua’a. Bij het eerste gesprek was Freeman zelf aanwezig, voor de andere twee heeft hij alleen de vragenlijsten opgesteld. Uit de interviews blijkt (1) dat Fa’apua’a helemaal geen sleutelinformant was van Mead; (2) dat tijdens de interviews zeer suggestieve vragen zijn gesteld; (3) dat Fa’apua’a zichzelf tegenspreekt en vergeetachtig is; en (4) dat Freeman selectief heeft geciteerd uit de interviews: hij heeft maar één van de 140 vellen uitgeschreven tekst gebruikt.

Mead heeft tijdens een jaar veldwerk maar tien dagen met Fa’apua’a opgetrokken; ze kwam haar pas tegen toen ze al vijf maanden onderzoek had gedaan. Mead vermeldt Fa’apua’a in de lange lijst dankbetuigingen voorin het boek, maar wijdt maar vier zinnen aan de inlichtingen die zij van haar heeft gekregen. Die gaan over het instituut taupou, niet over puberseks. Uit het eerste interview met Fa’apua’a, in 1987, blijkt dat ze tijdens haar contacten met Mead niet had begrepen dat de Amerikaanse in Samoa was voor onderzoek. Ze wist in 1987 niet dat Mead twee boeken had geschreven over Samoa en ook niet dat ze in 1978 was gestorven.

In het tweede interview, in 1988, liet Freeman aan Fa’apua’a de – nogal suggestieve – vraag stellen of zij Meads ‘beste vriendin in Samoa’ en haar ‘belangrijkste informant’ was geweest. ‘Ja’, zei Fa’apua’a. Toen haar later in het gesprek gevraagd werd of zij met Mead gewerkt had als informant, zei ze ‘maar één keer’. Toen ze de vraag kreeg wat Mead van haar wilde weten, zei ze: ‘dat weet ik niet meer’. De interviewer en vertaler, zelf een Samoaanse onderzoeker, schreef in de marge van de uitgeschreven tekst : ‘Ze wekt niet de indruk dat ze een goede informant was voor Makarita [Mead]’. Freeman laat dit onvermeld.

Freeman kwam in 1987 met een filmploeg naar Samoa om een documentaire te maken op basis van zijn boek over de Mead-controverse. Hij wist toen niet dat Fa’apua’a nog in leven was. Hij kwam met haar in contact via Galea’i Poumele, een traditioneel hoofd dat binnen het Amerikaanse bestuur over de eilanden was belast met Samoaanse Zaken. Hij had Freemans boek gelezen en was heel kritisch over Mead. Hij wist dat Fa’apu’a Mead had gekend, want hij was, o toeval, de zoon van haar intussen gestorven vriendin Fofoa. Een maand vóór het interview had Poumele Fa’apua’a, buiten medeweten van Freeman, benaderd met de vraag of zij mee wilde doen aan het filmproject. Daarna stelde hij haar voor aan de Nieuw- Zeelander. Hij zei toen dat Mead ‘belachelijke dingen’ had geschreven over puberseks en zijn moeder had afgeschilderd als ‘niet meer dan een slet’.

Poumele ondervroeg Fa’apua’a zelf voor de camera. Hij begon met uit te leggen dat het interview bedoeld was om ‘de leugens recht te zetten die [Mead] heeft geschreven in haar boek en die beledigend zijn voor alle vrouwen en meisjes van Samoa’. Freeman schreef in 1999 dat Fa’apua’a na deze uitleg van Poumele ‘plotseling besefte’ dat zij de bron was van wat Mead had geschreven over seks van ongetrouwde meisjes in Samoa en dat zij, als christen, de onschuldige leugentjes die ze Mead had verteld moest ‘opbiechten’.

In het eerste interview vraagt Poumele aan Fa’apua’a: ‘Was er een dag, een nacht of een avond dat de vrouw [Mead] u vroeg wat u ’s nachts deed, en maakte u daar grappen over?

Fua’apua’a: ‘Ja, ze vroeg: “Waar gaan jullie [’s nachts] heen?” en wij antwoordden “Dan gaan we uit.” “Met wie?”, vroeg ze. Dan knepen uw moeder [Fofoa] en ik elkaar en zeiden we : “We brengen de nacht door met jongens, ja, met jongens.” Zij moet dat serieus hebben genomen, maar we maakten alleen gekheid. Zoals u weet zijn meiden van Samoa enorme leugenaars als we aan het dollen zijn. Maar zij dacht dat onze verzonnen verhalen echt waren gebeurd.’

Dit is de passage die Freeman steeds opnieuw gebruikte in zijn publicaties en die hij beschouwde als smoking gun. Het gesprek gaat daarna door en Poumele stookt het vuurtje op. Poumele: ‘Vroeg Mead jullie of jullie ’s nachts seks hadden met jongens?’ Fa’apua’a: ‘Helemaal niet!’ Poumele: ‘Zoiets is jullie nooit gebeurd?’ Fa’apua’a: ‘Nee, nooit. Misschien is het haar overkomen. Maar ons, nee.’ Poumele: ‘Dus wat zij heeft gezegd is nooit gebeurd?’ Fa’apua’a: ‘Wat zei ze dan? Dat jongens bij ons kwamen slapen?’ Poumele: ‘Bij jullie sliepen en seks met jullie hadden.’ Fa’apua’a: ‘Wat een leugenaar!’

Tijdens het eerste interview was Fa’apua’a 86, tijdens het laatste 92. Freeman en Poumele gaven niettemin hoog op van haar geheugen. Maar al tijdens het eerste gesprek bleek het te haperen. Ze vroeg aan Poumele of Mead ooit terug was geweest naar Samoa. Ja, zei hij, in 1971. Toen wist ze het weer: ‘Ja, ze was sterk veranderd, ouder geworden’. Maar in werkelijkheid woonde Fa’apua’a in 1971 in Hawaii en heeft ze Mead na 1926 nooit meer gezien.

Wie had er nu gelijk over moraal en mores op Samoa, Mead of Freeman? Misschien wel allebei, zegt antropologe Alice Schlegel, die vergelijkend onderzoek doet naar adolescentie in verschillende samenlevingen. Volgens haar concentreerde Freeman zich op de cultuur van de Samoaanse aristocratie en ging Mead vooral om met meisjes van lage status en andere zeden.

Mead en Freeman hadden geen van beiden gelijk, zeggen Leasiolagi Malama Meleisea en Penelope Schoeffel van de National University of Samoa. In een commentaar bij Shankmans artikel schrijven zij: ‘Meads voorstelling van zaken, dat Samoaanse meisjes voor het huwelijk seks hadden, is waarschijnlijk accuraat, maar dat wil niet zeggen – wat zij wel suggereerde – dat promiscuïteit van vrouwelijke adolescenten sociaal geaccepteerd was. Gedrag – en daar zat Freeman ernaast – is nu eenmaal niet altijd een afspiegeling van culturele normen.’

In de jaren dertig van de negentiende eeuw, lang voordat Mead naar Samoa kwam, beleefden de eilanden een culturele revolutie, gebaseerd op een vorm van protestants christendom. Het ‘heidense’ verleden werd voortaan afgezworen als een ‘tijd van duisternis’. Oude normen van aristocratische maagdelijkheid raakten stilaan vermengd met christelijke leerstukken, die alle ongetrouwde meisjes, niet alleen taupou, kuisheid voorschreven. Toen Mead naar Samoa kwam, associeerden Samoanen maagdelijkheid van vrouwen vóór het huwelijk al meer dan een eeuw met de eer en waardigheid van familie en gemeenschap. En toch...

De schijn ophouden doet ertoe. De spanning tussen ideaal (Freeman) en werkelijkheid (Mead) is ongemakkelijk; je kunt er maar beter niet over praten. Het is dan ook niet zo vreemd dat gemeenschapsleiders in Samoa, zoals Galea’i Poumele, Freemans verklaring voor wat zij zagen als de ‘leugens’ van Mead omhelsden. En en passant een ‘kroongetuige’ in een academisch dispuut schaamteloos manipuleerden.