Peter Buwalda: Hoe werd mijn boek een bestseller? De koper bepaalt en hij eist een good read

Nog voor de verschijning van zijn boek openbaart de schrijver zich via talkshows en quizzen aan zijn lezer. Die omgekeerde volgorde is onnatuurlijk. Alleen op de pagina bestaat de schrijver.

Neem nou bijvoorbeeld Frans Kellendonk, ik heb al zijn romans, verhalen en essays gelezen, maar ik heb geen idee of de man van scherp eten hield. Zelf heb ik op televisie verteld dat ik drie keer per week hete Thaise curry eet. En nog veel meer egocentrische, onbelangrijke, triviale onzin. Waarom eigenlijk? Om mijn roman verder te helpen, waarschijnlijk. Maar een eigenschap van goede fictie is dat ze van a tot z voor zichzelf spreekt. Een boek dat het van zijn schrijver moet hebben lijkt me een misbaksel.

Vroeger, in Kellendonks tijd en ervoor, zweefde een schrijver als een onzichtbare god boven de wateren van zijn werk. Ik had vijftien romans van Philip Roth gelezen voor ik hem op televisie hoorde vertellen wat ik eigenlijk al wist. Een maestro als Nabokov heb ik nooit zien bewegen. Die weigerde overigens uit de losse pols te praten. „Mijn stijl is het enige dat ik heb”, zei hij, en schreef daarom alles uit voor hij zijn mond opende.

Dat is nu wel anders, de schrijver van vandaag gedraagt zich als de wethouder van Juinen – u weet wel, de kleine ijdeltuit uit de sketches van Koot en Bie die zich vals glimlachend vóór zijn burgemeester elleboogt. De burgemeesters waar ik en mijn generatiegenoten pontificaal vóór staan zijn onze eigen boeken. We openbaren ons aan het publiek via quizzen en talkshows, in columns, op Facebook en Twitter, in de talloze interviews die we geven.

Die omgekeerde volgorde is even eigentijds als onnatuurlijk. Literatuur draait vanzelfsprekend om die ándere stem, om het veel krachtiger geluid dat opstijgt van de pagina. Alleen daar, op de pagina, bestaat de schrijver. Wanneer alles een beetje gelukt is achter het bureautje, zit het ego in de roman; de afzender blijft achter als een leeg geschraapte botervloot. Toch is ‘zichtbaarheid’ het mantra van iedereen die tegenwoordig een boek schrijft.

Niet dat de ouwehoerende, quizzende, koekhappende, spijkerpoepende schrijver veel te verwijten valt. Ik snap onszelf best. We leven nu eenmaal in een onvertoond mediatijdperk; kranten, tijdschriften, radio, televisie, en daarbovenop: internet met zijn social media – nooit eerder in de geschiedenis bestonden er zoveel te bestijgen podia. Het is ook een kwestie van techniek, van mogelijkheid, van vraag en aanbod, van gelegenheid die de dief maakt. Begin jaren zestig, toen Nederland nog maar twee televisienetten had, zaten ze er ook gewoon hoor, Harry Mulisch, Godfried Bomans en Hella Haasse, in een lichtvoetig taalquizje dat Hou je aan je woord heette. Zelfs zij hadden al door dat televisie een wonderkastje is. Ik heb het zelf zien gebeuren, thuis op de bank: Bonita Avenue liep al aardig, maar pas met een stevig item in De Wereld Draait Door ging de lont erin. Dat maakt het verdomde moeilijk om geen causaal verband te vermoeden tussen succes en het hebben van een bekende kop.

In Juinen zelf is het ondertussen ook niet pluis. Ook de Juiners zijn veranderd: ze praten terug. Wat een huisarts de mondige patiënt noemt, wat Louis van Gaal bedoelt als hij het over 17 miljoen bondscoaches heeft, dat bedoel ik met de terugpratende lezer. Tot voor kort kreeg een schrijver als hij geluk had een handvol recensies en op zaterdagochtend een speekselrijke oekaze van Martin Ros – tegenwoordig doet iedereen die zin heeft zijn zegje op internet. Al tweeënhalf jaar lang kan ik, mocht ik willen, iedere dag wel ergens een verse beoordeling in ontvangst nemen, met sterren of zonder. Op een blog, op Facebook, op sites als Bol en Librarything, op twitter – de stroom meningen en aanwijzingen en loftuitingen en verketteringen is constant en houdt nooit meer op, lijkt het. De een vindt zus, de ander zo. Ze komen er niet doorheen, ze konden juist niet stoppen, er gebeurt teveel, er gebeurt niks, ik zou het einde hebben afgeraffeld, nee, het einde is juist te uitvoerig, etcetera, dag in dag uit. En dan ben ik als Nederlander nog een bijzonder kleine aardappel. Iemand als Haruki Murakami kan op een lezerssite als goodreads.com rekenen op ongeveer vijftigduizend reacties per roman. Dan Brown op een kwart miljoen.

Oké. De wethouder staat dus vóór zijn boek, en de complete bevolking van Juinen zit erbovenop. De grenzen zijn verweekt, lezers en schrijver ruiken elkaars adem. Wat doet deze onvoorziene osmose met de literatuur? Gaan we er anders van lezen en schrijven? Ga ík er anders van schrijven?

Jonathan Franzen zegt iets interessants over deze materie. In het essay Mr. Difficult stelt de Amerikaan dat een schrijver zich op twee manieren tot zijn lezers kan verhouden. De eerste manier noemt hij het ‘statusmodel’, waarmee hij de schrijver bedoelt – en ik vertaal het even naar algemeen beschaafd Haarlems – die het aan zijn bips kan oxideren wat de lezer van zijn roman vindt: hij heeft zijn boek met de zuiverste artistieke intenties geschreven, hij levert verdorie tegelijkertijd slag én met de canon én met de avant garde en met de god in het diepst van zijn gedachten. Literatuur is nu eenmaal hoge kunst, en bovendien is hij een genie, dus wie het resultaat niet op waarde kan schatten, ook al is dat de gemiddelde lezer, is een barbaar.

Als extreem voorbeeld van die houding voert Franzen zijn landgenoot William Gaddis op, de Mr. Difficult uit de titel van zijn essay, schrijver van postmoderne kiloknallers als The Recognitions en JR, romans die zich kenmerken door ongeremde eruditie, moeilijk te ontwarren verhaallijnen, pagina’s dialoog zonder dat iemand nog weet wie tegen wie praat, en een overvloed aan intertekstualiteit. Intussen zo weinig mogelijk houvast voor de lezer, waardoor die geen good read zal ervaren, maar een tough read die hem aan het einde voldoening, inzicht en loutering kan bieden.

Iedereen kan namen bij dit signalement bedenken. Ik zelf denk aan Joyce, aan Pynchon, aan Perec, aan Musil. Maar ook aan de W.F. Hermans van De god denkbaar denkbaar de god. Die surrealistische, moeilijk te duiden roman vond Hermans geslaagder dan de toegankelijke Donkere kamer van Damokles, waarmee hij voor het eerst een groot publiek bereikte. Ontspanningslectuur, oordeelde Hermans zelf.

Een roman dus, zou Franzen over De donkere kamer zeggen, die geschreven is volgens wat hij het ‘contractmodel’ noemt – de tweede manier om met lezers om te gaan. Hij bedoelt er fictie mee van schrijvers die stilzwijgend een deal met de lezer hebben gesloten, schrijvers die taal leveren waaraan die lezer een prettige ervaring overhoudt. Schrijvers dus die er bewust op uit zijn de lezer een good read te bezorgen, zich daartoe verplaatsend in wat die lezer wil. Hoewel het hier volgens Franzen nog steeds om kunst kan gaan, is de schrijver eigenlijk een soort medestander, een collega bijna, van zijn lezerschare. Het erelid van de leesclub.

Ik denk hierbij natuurlijk meteen aan alles wat lectuur is, aan literaire thrillers, aan Fifty Shades deel 2 en 3, aan Heleen van Rooijen, die naar het schijnt met haar uitgever brainstormt over nog te ontginnen smeuïgheden die veel pers en lezers zullen opleveren.

Toch zijn bovengenoemde gevallen de extremen. Status en contract sluiten elkaar geenszins uit. Had Gerard Reve niet ook een contract met zijn lezers? Ik denk het wel. Graham Greene evenzeer, die wisselde ‘entertainments’ als Our man in Havanna af met zogenaamde serieuze romans. En geldt hetzelfde niet min of meer voor, noem er eens twee, Arnon Grunberg en Ian McEwan? Ook bij hen weet je wat je krijgt. Maar tegelijkertijd zijn Reve, Greene, Grunberg en McEwan zonder twijfel statusschrijvers.

Kunst en amusement kunnen dus samen. De zee splitst zich pas zodra een boek ‘moeilijk’ wordt bevonden. ‘Difficulty’ means ‘trouble’. Ooit ontving Franzen van een lezeres een email waarin ze alle woorden in The Corrections opsomde die ze niet kende, een stuk of dertig. Voor wie dacht hij eigenlijk te schrijven? Ze vond Franzen een ‘pompous snob and a real ass-hole’.

Zelf heb ik ervaren dat voor het gros van wat dan waarschijnlijk contractlezers zijn het woord ‘ingewikkeld‘ vaak vergezeld gaat van ‘nodeloos’, dat flashbacks gezien worden als een zwaktebod, wat doen die dingen daar? en dat gespring in de tijd vooral afleidt en ophoudt – om over uitweidingen niet te spreken. Nu heb ik van geen enkele uitweiding of flashback in mijn debuutroman spijt. Toch bekruipt me de vraag of de wethouder van Juinen in mij voor nummer twee zijn artistieke autonomie een beetje weet te bewaren. Ik sta al twee jaar op het bordes van mijn boek tegenover een fakkeldragende lezershorde. Houd ik onbewust al rekening met ons contract?

Ja. Aanwijsbaar. Zal ik zo aanwijzen. Eerst: nu ik me van hem bewust ben is het wel duidelijk dat de lezer in onze letteren een vinger in de pap heeft, hij heeft sinds Franzens essay van 2002 terreinwinst geboekt. We zijn inmiddels elf jaar verder, het internet is verder uitgezaaid, en met internet de lezer. De Triffids zijn er. En hoewel de status-club terugvecht door middel van literaire juryprijzen als de AKO en de PC Hooft – waartegenover het CPNB opmerkelijk genoeg een publieksprijs zet, en zelfs gouden- en platinaboeken voor bestsellers – is de gemiddelde, consumerende lezer machtiger dan ooit. De koper bepaalt. Zwaait met zijn contract. Eist een good read. Het is deze meute die de sleutel tot succes in handen heeft, want sinds de beroepsrecensent verzopen is in het koor van stemmen, wordt aan de digitale dorpspomp bepaald wie we wel en niet lezen.

Mijn boek is een bestseller. En natuurlijk heb ik erover nagedacht hoe dat zo gekomen is, en of dit verplichtingen schept voor mijn tweede roman. Hoe staat het daar eigenlijk mee, met nummer twee, hoor ik iedere dag. Ik ken de intrinsieke kwaliteiten van Bonita Avenue dondersgoed, en ik heb mijn oor voldoende te luister gelegd om te weten wat er in mijn contract staat. Want dat ligt er nu eenmaal, of ik wil of niet. De vraag is alleen of ik me eraan ga houden. Of ik dat wil, nee, of ik het überhaupt kán. Of afspraken met lezers niet de dood in de pot betekenen.

Interessant in dit opzicht is hoe het mijn goede vriend Hans Münstermann is vergaan. In een vorig leven was ik redacteur van Münstermann, zijn eerste lezer, en dat was zo’n aardige hoedanigheid omdat ik houd van zijn romans. Op de dag dat ik zijn Sancho Panza werd was hij bezig om De Hitlerkus af te ronden, zijn vierde roman. De Hitlerkus is nog steeds mijn favoriete Münstermann, een vernuftige raamvertelling die onbedaarlijk grappig is, en tegelijk schrijnend en ontroerend. De Tweede Wereldoorlog speelt een rol op de achtergrond, er zit een fraaie pastiche op Mulisch in, een obsessieve liefde, en postmoderne verteltrucs die het geheel ruw maar zacht verstoren. Niet het boek waarmee Münstermann een groot publiek bereikte, misschien omdat De Hitlerkus te weerbarstig was, of wat we tegenwoordig ‘te literair’ noemen – zo diep zijn we al gezonken.

Dat grote publiek bereikte Münstermann pas met zijn roman ná De Hitlerkus, te weten De bekoring. Hij won er de AKO mee. Er werden honderdduizend exemplaren verkocht. De Libelle interviewde hem samen met zijn geliefde. Hij was beduusd en blij – net als ik. Hoe had hij plotseling half Nederland veroverd? De bekoring was misschien warmbloediger dan zijn vorige romans, het boek ging over een moeder die anno 1960 haar man en bloedjes van kinderen verlaat voor een andere vent. De spoortjes postmodernisme die er ook nu gelukkig weer in zaten, vielen inderdaad minder op. Was dat het?

Het succes smaakte hoe dan ook naar meer, en ik kan me onze gesprekken herinneren over bakens die, wilde Hans zijn verhonderdvoudigde publiek vasthouden, wellicht verzet moesten worden en hoe dat dan moest. In feite analyseerden we het contract dat Münstermann sinds De bekoring met zijn lezers had gesloten.

ijn volgende boek heette Land zonder Sarah. Ik weet nog dat ik het manuscript las en dacht: oké, goed, wat jij wil, natuurlijk mag dit, dit ben jij nu eenmaal. Wat ik las was: fuck het contract! Wat ik las was: fuck de Libelle! Wat ik las was: fuck de leesclub. Stelt u zich voor: Adolf Hitler zit in zijn gepantserde trein op weg naar het Adelaarsnest, hij slaapt wat en droomt dat hij rondloopt in het Nederland van Theo van Gogh. Die toekomstdroom van Hitler, met alle politieke tirades die erbij horen, met alle vereiste goodwill van de lezer die daarbij hoort, was Hans’ nieuwe roman – de dictator denkbaar, denkbaar de dictator. Daar kon W.F. Hermans een puntje aan zuigen. En Willem Brakman ook.

Ik vond het een heerlijk boek. Ik wel. Zéér weerbarstig, kiezelhard, maar ingenieus en verleidelijk. De lezers dachten daar anders over. Was dit de schrijver van De bekoring? Contractbreuk – dat was het. Van Land zonder Sarah werden met hangen en wurgen tienduizend exemplaren verkocht. Ook Münstermanns volgende romans, die beduidend toegankelijker waren dan Land zonder Sarah, bereikten geen hoge oplagen meer.

In feite lijk ik sprekend op Hans Münstermann. We hebben allebei maling aan modes en andere lezers dan wijzelf. We vinden vaak dezelfde boeken goed of slecht. We hebben ooit op het punt gestaan om Tim Krabbé voor Marte Jacobs een hooggedoteerde literaire prijs uit te reiken – met geld uit Hans’ zak. De romanideeën die tijdens onze beraadslagingen opborrelen hebben niks met lezers te maken, niets, die ideeën hebben te maken met onze eigen obsessies en interesses.

Nog voor ik Bonita Avenue afhad kreeg ik zo’n volstrekt obsessieve inval voor de opvolger. Het was een puik idee, al zeg ik het zelf, en dat is het nog steeds, want veel van mijn obsessies en interesses zaten erin vervat. Zo ga ik gebukt onder een diepe, carnale fascinatie voor Elvis. Daarom was ik van plan om zijn eerste film, de western Love Me Tender, na te vertellen, maar dan als een zeer realistische, precieze, gedetailleerde, historische liefdesroman. In Love Me Tender, een wat vlakke, middelmatige film, speelt Elvis de rol van Clint Reno, een jongen wiens oudere broers in de Confederate Army tegen de Yankees vechten, maar die zelf thuisblijft om voor zijn zieke moeder te zorgen. In plaats van zich te beperken tot dat stukje mantelzorg, trouwt Clint met de vriendin van zijn oudste broer. Als die terugkeert van het front zijn de rapen gaar. Korter kan ik het niet navertellen.

Maar langer dus wel! Zo dik als een vuist. Niet alleen wilde ik het dramatische gegeven met Proustiaans geweld onderhanden nemen, veel psychologie, veel herinnering, veel monologue interieur, maar als postmoderne bonus wilde ik de figuur van Presley door de vertelling heen laten schemeren, als een vierde dimensie. In de film zingt Elvis namelijk vier countryachtige deuntjes, waaronder uiteraard Love Me Tender, en hoewel het relatief truttige wijsjes zijn, is de manier waarop Clint slash Elvis ze uitvoert heel erg the King anno 1956. Een anachronisme dat de andere cowboys en indianen in de film niet opvalt – wat natuurlijk een fout is.

Dat wilde ik heel anders aanpakken. In mijn roman moest die jongen zodra hij begon te zingen de indruk maken dat hij rechtstreeks van Saturnus kwam. Ik bedoel, in zijn eigen tijd maakte Elvis al de indruk dat hij van Mars kwam, hoe moet dat geweest zijn in 1880? Het leek me een goede manier om de essentie van zijn charisma te grijpen.

Kwam nog eens bij dat ik in die tijd verslaafd geraakt was aan klassieke muziek. Dat bracht me op een tweede verhaallijn. Ik wilde het leven van Antonin Dvorák, zo ongeveer althans, verweven met het verhaal van Love Me Tender. Zoals iedereen weet was de Tsjech Dvorák eind negentiende eeuw een paar jaar directeur van het New Yorkse conservatorium en trok van daaruit de binnenlanden van de Nieuwe Wereld in, op zoek naar volksmuziek en inspiratie. Het leek me aardig hem tijdens die omzwervingen op Clint slash Elvis te laten stuiten. Die jongen, zou ik Dvorák laten denken, is een mirakel, een fenomeen, die wil ik in Rusalka en ook in mijn andere opera’s. Waarna Clint slash Elvis Dvorák zou volgen naar Europa, waar hij roem zou vergaren als tenor en zelfs Caruso naar de kroon zou steken. En terecht, natuurlijk.

Enfin. Hoewel ik alweer enthousiast word, kan ik u verklappen dat mijn tweede roman over iets heel anders gaat. Wat is er misgegaan? Love me tender hummend, love me long, was ik al bezig in een monografie over de Amerikaanse jaren van Dvorák, toen een concurrerend idee zich aandeed. Een idee voor een totaal andere roman, een roman die zich in het nu zou afspelen, die dichter bij Bonita Avenue zou staan, een roman die een algemenere thematiek zou uitdiepen, minder gefixeerd op mijn eigen muzikale aberraties, en die me de kans bood om mezelf te verbeteren op de in mijn debuut ingeslagen weg.

Ik dacht aan Hans en twijfelde. Zou die Elvis-western – werktitel: De koning en de componist – niet mijn Land zonder Sarah worden? Durfde ik het aan om na een kraker als Bonita Avenue moedwillig het contract met driehonderdduizend lezers te breken? Een Proustiaanse western over Elvis en Dvorák. Niet nu, stond er in mijn overeenkomst. Doe dat maar in roman zes, zeven of acht. Of pols Kees ’t Hart. We gaan geen vijf jaar wachten op jouw gedaanteverwisseling, Peter Buwalda.

Een tijdje heb ik het mezelf kwalijk genomen. Was ik niet te berekenend? Hoezo lezers? Had ik Philip Roth niet horen zeggen dat hij zich niet druk kon maken om de lezer omdat de lezer zich ook niet druk maakte om hem? Dat er maar een ding was om je druk om te maken, en dat was de zin, de alinea, de pagina. Was ik niet laf?

Nee, ik denk het niet. Behalve dat mijn tweede idee minstens zo uitnodigend was, minstens zo op mijn lijf geschreven, dreigde ik te vergeten dat, om in Franzens discours te blijven, de statusschrijvers van voorheen óók contracten afsloten. Joekels van contracten zelfs. Met de modernistische canon, bijvoorbeeld, met Carel Peeters en Kees Fens, met de literatuurwetenschap. Vóór de lezer zich opdrong, voor de schrijver over zijn boek heen stapte, voor de bestselleritis uitbrak, moest een roman wel een beetje gelaagd zijn, svp. De Merlyn-redactie moest ook voort en verder. Bovendien mocht er eigenlijk niet staan wat er stond, want alles wás al een keer gezegd, en wat er dan toch stond moest bijvoorkeur gespiegeld worden in een Griekse mythe of twee, want een lezer moest niet denken dat een roman verwees naar iets principieel onkenbaars als de werkelijkheid.

De koning en componist, mijn vijfde roman, besef ik nu, gaat waarschijnlijk prima voldoen aan het ouderwetse statusmodel. Er zitten zo zeven doctoraalscripties in.

Of die terecht veelgelezen roman te verkiezen zal zijn boven mijn tweede boek, dat zich min of meer, als vanzelf, zonder dat ik al te veel concessies doe, plooit naar de smaak van Juinen en de Juiners, weten we, deo volente, pas over een jaar of vijftien, wanneer beide vuistdikke werken te verkrijgen zijn in de betere boekhandel, en anders bij De Slegte.

Peter Buwalda is romanschrijver. Dit is een ingekorte versie van de Kellendonklezing die hij deze week uitsprak.