Niet alleen stadse burgerij

De innovatieve burgerij zit nu niet in de Zuidas en niet alleen in steden maar in de Achterhoek of oude fabrieksgebouwen, schrijft Dany Jacobs.

Inderdaad, tolerantie en democratische waarden hebben een belangrijke rol gespeeld (en spelen die nog steeds) in de economische ontwikkeling van Nederland en bij uitbreiding onze planeet.

Human resource-manager Marque Drayer van technologiebedrijf ASML zei het onlangs nog in deze krant (23/2): ondanks het internationaal karakter van ASML hebben Nederlanders er nog steeds een streepje voor: „Dat directe, waar we internationaal om worden vervloekt, vinden we hier heel belangrijk. Je kunt de briljantste denker uit India laten komen, maar als hij zijn mond niet opentrekt, heb je daar weinig aan.”

Toch, ook de Nederlandse innovatiegeschiedenis is natuurlijk met bloed, monopolies, kartels, uitbuiting en niet erkende octrooien van elders geschreven. Zonder een arbeidersbeweging die sociale waarden deed respecteren, zonder anti-koloniale onafhankelijkheidsbewegingen die Nederlandse witmensen weer op hun plaats zetten, zonder een milieubeweging die strengere milieuwetgeving wist af te dwingen, was die Nederlandse burgerij vandaag toch heel wat minder ethisch. Ik heb veel bewondering voor een industrieel als Wim van der Leegte, maar ik hoor hem toch iets te vaak protectionistische verhalen houden.

Het zou dus correcter zijn als McCloskey niet enkel de burgerij feliciteerde. Adam Smith zei het indertijd al: zet een paar industriëlen bij elkaar, en ze proberen gelijk tot afspraken te komen om de markt dicht te timmeren. Nederland was twintig jaar geleden de laatste EG-lidstaat die met veel moeite – na het zoveelste schandaal in de bouw – bereid was de Europese anti-kartel wetgeving in te voeren. In zijn nadagen ging het Nederlandse Innovatieplatform nog naar Singapore om het groeimodel van deze - toch niet zó democratische - stadsstaat te bestuderen.

Het gaat dus niet enkel om ‘burgerlijke’ ideeën en deugden die op zondag beleden worden. Het komt erop aan deze deugden in wetten en regels te gieten die alle dagen van kracht zijn. Dan komt evenwel één mooie tolerante Nederlandse deugd boven drijven: pragmatisme, waarbij overtreding van strenge regels als het even kan wordt gedoogd. Zero tolerance voor proleten – maar niet voor burgers.

Niet dat er geen ethische ondernemers zijn. Die zijn er, gelukkig, nog steeds. Ook weten ze een redelijk verdienmodel op te bouwen. Een mooi voorbeeld is Jos Pâques die met zijn milieutechnologie een groeiend bedrijf tot stand heeft gebracht. In heel het land – en vooral in de uithoeken die het verst van Holland af liggen – zie je bloeiende industriële bedrijven die milieu- en kwaliteitszorg serieus nemen en ook goed voor hun werknemers zorgen.

Waar zit vandaag de Nederlandse verlichte burgerij? McCloskey ziet die historisch gezien vooral in de steden waar de waarde creërende klasse de overhand hield op oude en nieuwe regenten. Dat is interessant. Dan kunnen we vandaag twee vaststellingen doen. Ten eerste is de industriële burgerij nog nauwelijks in de steden te vinden vanwege, onder meer, milieuwetgeving. Nogmaals: het is vooral in de uithoeken van het land dat we hypermoderne bedrijven vinden die voor een groot deel van onze industriële export zorgen - denk aan Bronkhorst of Nedap in de Achterhoek.

Ten tweede bestaat de vitale groep in de steden vooral uit wat de Amerikaanse socioloog Richard Florida de ‘creatieve klasse’ noemt. Niet zozeer op plaatsen als de Zuidas, maar wel in oude fabrieksgebouwen vinden we massa’s creatieve bedrijfjes met mooie idealen waarvan er af en toe eentje doorgroeit tot een Tomtom of Guerilla Games.

Florida wees er onlangs nog op dat de groei in de Verenigde Staten met name tot stand komt daar waar industriële en creatieve ondernemers elkaar weten te vinden en hun wederzijdse vooroordelen laten varen. In Nederland is vooral Eindhoven er goed in geslaagd deze twee groepen bij elkaar te brengen. Daar zit letterlijk veel muziek in.

Dany Jacobs is hoogleraar Industriële ontwikkeling en innovatiebeleid aan de Universiteit van Amsterdam en lector Kunst, cultuur en economie bij de hogescholen ArtEZ en HAN