Niemand rouwt om einde Kunduz

Nederlandse militairen verlaten vervroegd Afghanistan. Het werk zit er op. De binnenlandse politiek is hiermee af van een onderwerp dat nooit winst opleverde.

Nog een paar maanden totdat Nederland het hoofdstuk Afghanistan kan sluiten. Eerder dan voorzien stopt op 1 juli de veelbesproken politietrainingsmissie in Kunduz. Op 1 november moeten de 545 Nederlanders (vooral militairen en een paar agenten) de Duitse basis waar zij onderdak hadden volledig hebben verlaten. Aanvankelijk zou de missie pas in de loop van volgend jaar worden beëindigd.

Met dit besluit van het kabinet komt een eind aan de Nederlandse militaire betrokkenheid in Afghanistan. Deze begon in 2003 met het sturen van 650 militairen naar de Afghaanse hoofdstad Kabul. Geleidelijk liep dit aantal op, met als hoogtepunt de periode 2006-2010 toen gemiddeld zo’n tweeduizend militairen in de zuidelijke Afghaanse provincie Uruzgan zaten. In totaal keerden 25 militairen niet levend terug.

Nederland vertrekt nog niet helemaal. De vier F16 gevechtsvliegtuigen waar in totaal honderdtwintig militairen bij zijn betrokken, blijven gestationeerd op de noordelijke basis in Mazar-e-Sharif. Ook de 35 Nederlandse functionarissen die in het kader van de door de Europese Unie geleide trainingsmissie EUPOL in Kabul hoger politiekader opleiden, hoeven nog niet weg. En voorts gaat het door Nederland opgezette ontwikkelingsprogramma om de rechtsstaat in Kunduz op te bouwen tot in elk geval 2014 door.

Volgens het kabinet is aanblijven van de trainingsmissie na 1 juli van dit jaar niet meer noodzakelijk omdat het werk er eigenlijk opzit. „Het Afghaanse leger en de politie zijn inmiddels verantwoordelijk voor de veiligheid in de gehele provincie Kunduz. Zij zullen ook de verantwoordelijkheid voor de politieopleidingen overnemen”, schrijven de meest betrokken ministers aan de Tweede Kamer. Maar ook zat het kabinet met het gegeven dat de Duitsers die voor bescherming van de Nederlanders zorgen, Kunduz de tweede helft van dit jaar verlaten.

In een eveneens vrijdag aan de Tweede Kamer gestuurde evaluatie over het resultaat van de twee jaar geleden begonnen trainingsmissie zegt het kabinet „voorzichtig positief” te zijn. De missie heeft geleid „tot beter opgeleide en begeleide politie, advocaten, rechters en aanklagers”, schrijven de meest betrokken ministers. Maar, voegen zij eraan toe, „het is echter te vroeg om vast te stellen wat het effect op langere termijn zal zijn van de geïntegreerde politietrainingsmissie.” Dat is inderdaad de grote onbekende: hoe zal het land zich ontwikkelen als de buitenlandse troepen grotendeels weg zijn?

Maar voor de Nederlandse binnenlandse politiek is dit niet de grootste zorg. Niemand is echt rouwig om om het vertrek uit Afghanistan. Want – om in militaire termen te spreken – de collateral damage van de operatie trof de afgelopen tien jaar toch vooral diezelfde binnenlandse politiek.

Zo struikelde in 2010 het vierde kabinet-Balkenende over de vraag of de missie in Uruzgan verlengd moest worden. Het besluit voor de politiemissie in Kunduz gaf in 2011 de aanzet voor de implosie van GroenLinks. Binnen de PvdA was de kwestie Afghanistan een permanent punt van discussie en reeds in 2005 raakte D66 ernstig verdeeld over het sturen van troepen naar Uruzgan. Populariteit bij het electoraat heeft de aanwezigheid in Afghanistan politici evenmin opgeleverd. Uit opiniepeilingen van het ministerie van Defensie bleek steevast een meerderheid tegen uitzending van de troepen.

De Nederlandse militairen keren vervroegd terug. Den Haag heeft één probleem minder.