Lachen is verdacht

Epo? Laat me niet lachen. Ik heb het spul in mijn handen gehad. Het ziekenhuis had een kuurtje epo voorgeschreven voor mijn oude vader. Zijn beenmerg functioneerde nauwelijks. Rode bloedlichaampjes werden niet meer aangemaakt. Epo was een laatste redmiddel.

Het middel hoefde niet afgehaald te worden door een motorrijder met een schuilnaam. Het lag open en bloot op de balie.

Na een injectie met epo werd mijn vader gecontroleerd. Het effect was nul. De rest van de epo kon in de verpakking blijven. Enkele weken na de toediening van de dope droeg ik mijn vader naar zijn graf.

Waar de drie kuurtjes epo zijn gebleven, weet ik niet meer. We hadden als familie wel wat anders aan ons hoofd. Zonde. We hadden de jongens van het ‘oude’ wielrennen er vast een plezier mee gedaan. Of had ik het in een gewatteerde enveloppe naar het hoofdkantoor van de Rabobank moeten sturen? De directie wist vast een paar postadressen.

Sinds de cyclobiechten ligt het wielrennen onder de loep, zeg maar rustig onder de microscoop. Het overzicht is zoek. We turen naar de prikgaatjes in aderen van renners en weten niet meer hoe een fiets eruitziet. De stoere werkers op de weg veranderen tijdens hun bekentenissen in wegkijkende stotteraars met zweethanden.

Lachen is verdacht, huilen een pre.

Na het verlaten van het biechthokje word je op het plein nog even gemangeld door het volk. Pek, veren, tomaten, een azijnspons in je mond en een trap na van de nieuwe generatie. Michael Boogerd bungelt in de strop en Lars Boom spuwt vuur: „Ik heb geen goed woord over voor mensen die jarenlang doping hebben gebruikt en nu bekennen.”

Ik heb geen goed woord over voor mensen die de schuld alleen leggen bij renners en niet bij het halfslachtig handelen van ploegleiders, journalisten, geldschieters en wielerbobo’s. Lars Boom had nooit een goed salaris gehad als Boogerd en de zijnen niet zo veel voor de sport gedaan hadden.

De grote klassiekers staan voor de deur. Neem ik de sport nog serieus? Ja, misschien zelfs te serieus. Er is de afgelopen decennia een groot reizend circus geschapen, maar de clowns wordt nu gevraagd de dopneus even op het achterhoofd te zetten. Het elastiekje trekt een extra frons op het voorhoofd. Doping is serious business.

Lars Boom zei te hopen dat het „geouwehoer” snel voorbij is. Afgelopen week sprak ik Mark Cavendish voor een documentaire over Milaan-San Remo. Hij vertelde losjes over de klassieker. Tot begon ik over de afgelopen zwarte periode; alle plezier verdween uit zijn stem. Paranoia van twee kanten ligt op de loer.

De schoonheid van de sport en realiteitszin moeten hand in hand gaan. Dan komt het wel goed. Een goede wedstrijd is gebaat bij duidelijke regels. Overtreden is niet verboden en ook niet erg, er staat alleen wel een straf op.

Clean in het leven is niemand. Ook de renners van nu niet. Je hoopt maar dat wielrenners geen doetjes worden. Topsport is oneerlijk. Topsport is een bedrijfstak met grote financiële belangen. Als profrenner kom je hoe dan ook met je voorwiel bij een grens uit. Je kiest voor een zwaar vak, lichamelijk en geestelijk.

In deze wervelende dopingweek keek ik naar een interview met mijn held Sonny Rollins (82). Nee, geen oud-profrenner, Rollins is de grootste nog levende saxofonist. Hij was in zijn jonge jaren aan de heroïne. De vraag: ga je van dope beter blazen? I think it does, to a certain degree, zei Rollins. „Het geeft je een gevoel van: wow! Maar je kunt jezelf er ook pijn mee doen.”

Rollins zat er vorstelijk bij. Geen greintje reserve, geen spijt. Hij valt het leven aan, met alle risico’s van dien. Soms gaat het goed, soms gaat het fout.

Epo is een medicijn. Mijn vader is dood. Heroïne is een drug. Rollins leeft nog. Zo loopt het soms. Mooi, hè?