Knappe notenkrakers

ILLUSTRATIE IRENE GOEDE

Tiktiktik, klinkt het soms in het regenwoud. Een zacht geklop, alsof een timmerman er driftig aan een tafeltje timmert. En dan opeens: TOK!

Dat getik en getok komt niet van werklui, maar van wilde apen. Ze slaan noten stuk. Het zijn kapucijnapen, knappe notenkrakers uit Brazilië. Palmnoten vinden ze het lekkerst. Het enige probleem: de noten hebben een ontzettend taaie dop. Platdrukken is onmogelijk. En de noot zit potdicht. Open peuteren gaat dus ook niet. Maar de aapjes zijn vastberaden. Eerst leggen ze de noot in een kuiltje op een rots. Dit is hun werkbank. Dan zoeken ze een forse kei. Dat is hun hamer. Ze tillen deze hamersteen op, soms tot hoog boven hun apenkop, en laten hem dan vallen. Bovenop de noot. TOK!

Het is een moeilijk karwei. De aapjes werken met joekels van stenen, die ze precies op de goede plek moeten laten vallen. Jonge apen kunnen het nog niet zo goed. Pas na een paar jaar oefenen krijgen ze de meeste noten stuk.

De echte meesterkrakers gaan zorgvuldig te werk: ze tikken eerst een paar keer zachtjes met de noot op rots. Maar dat tikken is veel te zacht om de noot open te breken. Waarom doen de apen het dan? Dat wilden biologen weten. Met een viltstift tekenden ze een streep op de platste kant van de noten. Zo konden ze zien met welke kant de aap de noot op de rots plaatste. Na een paar keer tikken legden de beste notenkrakers de noot met de platte kant boven, en de bolle kant in een kuiltje op de rots. Op deze manier wiebelt de noot niet en kan hij ook niet wegrollen. Wat slim!

De biologen denken dat de apen door te tikken voelen hoe de noot het beste kan liggen. Zoals een timmerman ook eventjes op het hout klopt voordat hij zijn spijker slaat. Tiktiktik.

(PLOS ONE, 27 februari)