Ik was jaloers op die oorlogstijd van mijn vader

Kees van Kooten schreef het Boekenweekgeschenk en nam het dagboek van zijn vader als uitgangspunt. „Die vervloekte oorlog was voor hem de mooiste tijd van zijn leven.”

,,Geestelijk blijf ik nog wel eens plakken in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw.’’ Foto Robin Utrecht

‘Gouden tijden, zwarte bladzijden’ is dit jaar het thema van de Boekenweek. Anders dan de meeste van zijn voorgangers heeft Kees van Kooten (1941) zich daar in het door hem geschreven Boekenweekgeschenk nu eens aan gehouden. Verrassend genoeg figureert in De verrekijker uitgerekend de Tweede Wereldoorlog, toen Van Kooten een baby en peuter was, als de gouden tijd. De zwarte bladzijden zocht hij in het album dat zijn vader samenstelde over zijn militaire tijd tijdens de meidagen van 1940. Maar hij vond geen enkele zwarte bladzij, zelfs geen snippertje grijs. Afgezien van een geheimzinnig briefje over een verrekijker ter waarde van 9,95 gulden die sergeant Van Kooten ten onrechte in Berkel en Rodenrijs gevorderd zou hebben, bleek zijn vader in de oorlog brandschoon te zijn geweest.

Evengoed heeft dit complete gebrek aan drama een weemoedig stemmend, tragikomisch Boekenweekgeschenk opgeleverd, over een zoon die zich realiseert dat die vervloekte oorlog voor zijn vader de mooiste tijd van zijn leven was. Bij zijn ‘afzwaaien’, op 20 mei 1940, schreef sergeant Van Kooten in keurige bloklettertjes (als facsimile afgedrukt in De verrekijker) hoe heerlijk hij zijn soldatenleven had gevonden. „Je bent weer eens jong geweest, hebt weer eens kunnen ‘uitrauzen’ als je daaraan behoefte had/ (op ‘kantoor’ d.w.z. als normaal burger gaat dat niet zoo) en je hebt weer zooveel andere en nieuwe menschen leeren kennen/ je komt thuis bij moeder de vrouw en je zegt: “ziezoo kind, hier zijn we, dat had je 10 dagen geleden niet gedacht hè?”/ En je denkt bij jezelf: van nu af aan ben ik geen soldaat meer, geen ongedwongen leven, maar regelmaat/ toch zal het zóó wel beter zijn.”

„Ik ben met dat plakboek opgegroeid”, vertelt Van Kooten, terwijl hij glimmend van genoegen de bladen van het album omslaat om te laten zien hoe hij te werk is gegaan. „Het lag bij ons thuis op het dressoir, maar ik had het, voordat ik aan het Boekenweekgeschenk begon, nooit goed doorgenomen”. Pas nu komt hij erachter waar zijn eerdere desinteresse voor het aandachtig gemaakte en aandoenlijk gedetailleerde oorlogsalbum van zijn vader op gebaseerd was. Verlegen grijnzend om de bekentenis zegt hij: „Ik realiseer me ineens dat mijn weerzin ertegen kinderlijke jaloezie was. Al die foto’s van mijn vader tussen zijn medesoldaten lieten zien dat hij niet alleen van ons was, van ons gezin. Daar kwam bij dat mijn moeder zijn soldatenverhalen verschrikkelijk vond. ‘Hou toch eens op over die oorlog’, kon ze bijna in tranen uitroepen als mijn vader het er weer eens over had.”

Uw boek lijkt weliswaar over de Tweede Wereldoorlog te gaan, de gouden tijd van uw vader, maar eigenlijk gaat het over de jaren vijftig en zestig, uw gouden tijd.

„Dat heb ik niet van tevoren zo bedacht. Ik was wel meteen van plan er een soort agenda van te maken die een soort tijdsbeeld laat zien. Het thema heeft te maken met tijd, en met bladzijden waarop die tijd is aangegeven. Mijn vader was vertegenwoordiger van Ryam, ik ben met agenda’s opgegroeid. In mijn boek is een ‘literagenda’ opgenomen, met alle literaire gebeurtenissen van het komende jaar, gelardeerd met Bescheurkalender-achtige grapjes.

„Maar de opzet was echt om de oorlogsverhalen van mijn vader onder de loep te nemen. Mede om die reden heb ik de opdracht om het Boekenweekgeschenk te schrijven vorig jaar direct aanvaard. Het is een eer gevraagd te worden en ik krijg er ook nog eens 32.000 euro voor. Maar het gaat ook over mijn gouden tijd, de periode tussen mijn 4de en mijn 21ste. Ik noem dat mijn ‘kleeftijd’. Dat begon als een verschrijving, maar het is een woordspeling die precies uitdrukt wat ik bedoel. Het is de periode waar ik altijd weer naar terugkeer; de jaren waarvan ik mij nooit helemaal zal kunnen losmaken. Geestelijk blijf ik nogal eens plakken in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, vooral de tijd van de Beatles, de mini-jurk, de pil.”

Over de jaren vijftig schrijft u minder vrolijk. Niks mocht en nergens was geld voor. Tot over maat van ramp liet uw vader u voor gek lopen in een pofbroek à la Kuifje. Later moest u tegen uw zin in militaire dienst en om met een meisje naar bed te kunnen moest u helemaal naar Parijs.

„Maar ik schrijf ook dat er waarschijnlijk nooit een jeugd van Nederland zo ruimhartig beschermd en vertroeteld is als mijn generatie van arme oorlogskinderen. Vandaar dat jeugdsentiment, waar veel van mijn leeftijdgenoten en ik mee behept zijn. Pas achteraf besef ik dat mijn jeugd vooral beheerst werd door angst. Eerst de angst voor bommenwerpers, op de lagere school angst voor de bovenmeester, op de middelbare school angst voor proefwerken en zittenblijven. Daarna in militaire dienst angst dat je straf kreeg en in het weekend niet naar huis mocht.

„Maar uiteindelijk hebben we ons goed gerevancheerd door naar de hele wereld een lange neus te trekken. Door naar Parijs te gaan om met onze vriendinnetjes voor het open raam van een hotelkamer de liefde te bedrijven. Dat was de vrijheid. Maar Barbara, mijn vrouw, mocht van haar ouders op haar zeventiende niet met mij naar Parijs in mijn tweedehands DS. Zij logeerde dan zogenaamd bij een vriendin. Je ging naar Parijs omdat je wist dat daar hotels waren waar ze niet naar je trouwboekje vroegen. Dichter bij huis kon dat niet.

„Die angst van de jaren vijftig voelde je overal. Op het Instituut Vermazen waar ik me op mijn eindexamen gymnasium voorbereidde, was dr. A. Goedewaagen mijn leraar klassieke talen. Pas later begreep ik dat hij de beruchte NSB-voorman Tobie Goedewaagen was, die jaren gevangen had gezeten omdat hij leider van de Kultuurkamer was geweest. Toen snapte ik waarom deze aardige leraar altijd zo angstig langs de muur schuifelde als hij naar school liep. Als hij lesgaf, zag je in zijn ogen de angst: zouden ze het weten?”

Het oorlogsverleden van Goedewaagen is andere koek dan dat van uw vader. Wat het meest opvalt aan zijn plakboek is zijn braafheid en het ontbreken van zelfspot. Stoort dat gebrek aan ironie u niet?

„Wat de stijl van mijn vader en van die tijd betreft, daar ijsde ik als kind al van. Niet dat hij zich plat uitdrukte, maar hij ging helemaal op in die typische soldatenhumor. Aan mij was dat niet besteed. Er was geen jongen in mijn tijd die graag in dienst wilde. Mijn moeder was er ook tegen, zij was pacifistisch. Koningin Juliana was haar heldin.”

En u had erotische dromen over Beatrix, lees ik in uw boek.

„Ik ben niet koningsgezind opgevoed. Mijn ouders stemden PvdA en mijn liefde voor Oranje ging niet verder dan dat ik de namen van de prinsessen kende. In mijn boek staat dat ik graag een lintje zou krijgen, maar dat me dat waarschijnlijk niet wordt gegund omdat ik lang geleden op de televisie heb bekend dat ik regelmatig droom dat ik het bed deel met Beatrix. Nu heb je veel betere satire. Dat gedweep met het koningshuis rond de abdicatie staat ver van me af. Ik voel me verwant met Grunberg die in de Humo dat gedicht van Ramsey Nasr over Beatrix heeft uitgeplozen met als conclusie dat hij helemaal niets heeft met die mevrouw. Over twintig jaar heeft Grunberg Karel van het Reve overtroffen. Hij heeft nu al ongelooflijk veel toegevoegd aan de schrijverij en de essayistiek.”

Grunberg beoefent vrijwel alle literaire en journalistieke genres. Uw voorkeur gaat duidelijk uit naar literaire non-fictie. Beschouwt u uw Boekenweekgeschenk ook als zodanig?

„Ja, alles is van kaft tot kaft waargebeurd. Niets is verzonnen, ik heb geen fantasie op dit gebied. Maar ik heb wel gemerkt wat, naast alle voordelen, de nadelen van internet zijn. De mogelijkheid om alles op te zoeken neemt een deel van je fantasie weg. Het belet je om te fabuleren, zoals Pieter Verhoeff met de fakedocumentaire over Rudy Schokker, en Anton Haakman met zijn roman over Athanasius Kircher. Je hoeft je niet meer af te vragen of die figuren echt hebben bestaan of niet.

„Een cruciale gebeurtenis in mijn vaders mobilisatiedagboek speelt zich af in Berkel en Rodenrijs. Mijn vader heeft daar een verrekijker gevorderd van een meneer Treurniet en in mijn boek fabuleer ik – in cursieve stukjes tekst – hoe dat in zijn werk gegaan kan zijn. Hoe zag het leven er anno 1940 uit in Berkel en Rodenrijs, wat voor mensen woonden daar en wat deden ze met zo’n dure verrekijker? Omdat ik wist dat Annie M.G. Schmidt in Berkel en Rodenrijs woonde, wilde ik haar in één van die fictieve verhaaltjes verwerken, maar toen ik haar googelde, bleek dat ze daar pas sinds 1951 woonde. Dat pad werd dus afgesneden. Enerzijds behoedt dat je voor blunders en anachronismen, aan de andere kant is het doodzonde. Wat heeft het allemaal niet voor grote kunst opgeleverd: muziek laten horen van een componist die nooit heeft bestaan, essays over een verzonnen schilder, noem maar op.”

Blijft u fulltime non-fictie schrijver?

„Dat ben ik wel van plan. Indertijd ben ik met televisie gestopt omdat ik mezelf niet leuk meer vond. Je moet jezelf durven vernieuwen, ‘ontkleven’. Door dat televisiewerk heb ik nooit echt goed de tijd kunnen nemen om te schrijven. Bij dit Boekenweekgeschenk is dat eindelijk wel gelukt. Ik wil daar graag mee doorgaan. Voor Jaco Groot van Uitgeverij De Harmonie heb ik in 2006 Mijn Plezierbrevier gemaakt; met korte komische Anglo-Amerikaanse verhalen. En in 2010 Zo wordt u gelukkig, met vertalingen van en commentaar op de dichter Billy Collins die ik geweldig vind. Jaco Groot heeft me onlangs gevraagd of ik in deze reeks ook niet iets over cartoons uit The New Yorker wil maken en daar ben ik nu mee bezig. Het moet iets worden als ‘De beste honderd cartoons uit mijn leven’. Meestal begin ik met een klein mapje en al schrijvend en associërend kom ik vervolgens op ideeën. Omdat ik altijd op humor uit ben, is het mooiste wat me kan overkomen dat ik ’s nachts alleen aan de keukentafel zit met een fles wijn en in de lach schiet om iets wat ik zelf schrijf. Dan houdt mijn pen het bijna niet meer bij. Daar doe je het voor!”

Opeens legt Kees van Kooten naast het album van zijn vader zijn eigen agenda op tafel. De agenda van de zoon lijkt wel een kopie van die van zijn vader, ongeveer hetzelfde formaat en vol met plaatjes, krantenknipsels en uitvoerige, keurig leesbare notities. „Zo heb ik er een stuk of veertig van staan”, grijnst hij. Hij verwacht niet dat een van zijn kinderen hier later een Boekenweekgeschenk van zal maken. Hooguit dat een kleinkind die agenda een keer mee naar school neemt voor een spreekbeurt. Die agenda stroomt trouwens angstwekkend vol met voorlees- en signeersessies in verband met de Boekenweek. Hij is er klaar voor. Stoer: „Ik fiets en ik ren, ik ben in topconditie.”

Na de Boekenweek gaat het oorlogsalbum van zijn vader naar het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. „Mijn vader zou het fantastisch vinden dat hij bij het NIOD ligt”, zegt Van Kooten met een gelukzalige glimlach.

De Boekenweek 2013 is van 16 tot en met 24 maart