Hulp voor zwakke lezers

pedagogie

Het aantal leerlingen met een dyslexieverklaring neemt snel toe. Specialisten zoeken een uitweg.

Illustratie SvG

Dyslexie is handel geworden. Bijna 14 procent van de middelbare scholieren doet eindexamen met een dyslexieverklaring, volgens een studie van het Tilburgse onderzoeksbureau PON. Het percentage kinderen dat een dyslexiebehandeling vergoed krijgt van een zorgverzekeraar ligt veel lager, maar neemt wel toe.

“Aan het budget voor dyslexiebehandelingen is geen bovengrens gesteld”, zegt emeritus hoogleraar orthopedagogiek Aryan van der Leij. “Behandelaars hebben baat bij zo veel mogelijk behandelingen.”

Hoe kun je dit beperken? Besluiten om een dyslexiebehandeling al dan niet te vergoeden op grond van de achterliggende oorzaken is wetenschappelijk onverantwoord, vindt Peter de Jong, hoogleraar onderwijsleerproblemen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij zegt: “Gezien de veelheid aan mogelijke oorzaken – en de onduidelijkheid over wat nu precies de belangrijkste is – zou de politiek ervoor kunnen kiezen om de 4 procent slechtste lezers voor dyslexiebehandeling in aanmerking te laten komen.”

Een aantal collega’s sluit zich hierbij aan. “De bestaande selectie op basis van oorzaken heeft een zekere willekeur”, zegt hoogleraar dyslexie Ben Maassen (Rijksuniversiteit Groningen). “Dat probleem ondervang je door zo’n 4-procentsregeling en door de eis te stellen dat de leerproblemen hardnekkig moeten zijn. Op die manier doe je recht aan nieuwe oorzaken voor dyslexie, die wetenschappers in de afgelopen jaren hebben ontdekt.”

Nieuw wetenschappelijk onderzoek onderstreept het belang van een aanpassing van de eisen voor vergoeding van een dyslexiebehandeling. Verschillende studies van de laatste jaren laten zien dat het eigenlijk nooit mogelijk is om voor dyslexie één enkele oorzaak aan te wijzen, zoals het vermogen om klanken te herkennen in gesproken woorden (fonologisch bewustzijn). “Lang is gedacht dat een tekort in het fonologisch bewustzijn dé oorzaak was van dyslexie”, zegt De Jong. “Tegenwoordig weten we dat er altijd veel meer aan de hand is.”

Dit inzicht is recentelijk onderbouwd in publicaties van ontwikkelingspsycholoog Bruce Pennington (Universiteit van Denver). Pennington concludeerde bijvoorbeeld dat kinderen die heel slecht waren in het onderscheiden van klanken in woorden, niet per se grote problemen met lezen en spelling ontwikkelden. “Dyslexieonderzoekers hebben jarenlang gezocht naar één oorzaak en één gevolg voor dyslexie”, zegt Van der Leij. “Pennington heeft heel grote databestanden op een rijtje gezet, het gaat niet alleen om gegevens op gedragsniveau, maar ook om genetische studies en tweelingonderzoek. Hij heeft vastgesteld dat het gewoon niet waar is dat iedere dyslecticus een fonologisch probleem heeft en andersom dat er een heleboel mensen met fonologische problemen zijn zonder dyslexie. Dat is door Nederlands onderzoek bevestigd.”

Volledige overeenstemming onder de specialisten is er niet. Ludo Verhoeven, hoogleraar aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, houdt vast aan het criterium dat problemen in de herkenning van klanken (en niet zo zeer visuele problemen) bij dyslexie doorslaggevend zijn. “Toewijzing van zorg aan de 4 procent laagst scorenden op leestests zou geen recht doen aan deze bevinding.”

Om vast te stellen of kinderen een dyslexiebehandeling vergoed krijgen, worden ze nu getest op drie vaardigheden: automatisch omzetten van letters in klanken (letter-klank-integratie), herkennen en manipuleren van klanken in gesproken woorden (fonologisch bewustzijn) en snel benoemen van de namen van symbolen zoals letters, kleuren en cijfers. Door de manier waarop dit protocol is opgezet kan iemand met leesproblemen die alleen zwak scoort op fonologisch bewustzijn in aanmerking komen voor een vergoeding.

Aandachtsspanne

Eén van de onderliggende oorzaken van dyslexie waarover in de afgelopen jaren nieuwe inzichten zijn ontstaan is de “visuele aandachtsspanne”, het aantal letters of cijfers dat verwerkt kan worden in een enkele oogopslag. Dat veel dyslectici hiermee problemen hebben, is aangetoond in onderzoek onder Franse en Engelse kinderen en de laatste jaren bevestigd door studies van de Universiteit van Amsterdam. In onderzoek naar het visuele aandachtsgebied krijgen proefpersonen 0,2 seconden lang een reeks medeklinkers te zien, VKTR bijvoorbeeld. Daarna moet de reeks hardop of schriftelijk herhaald worden. Van der Leij: “Een goede lezer kan dat over het algemeen prima aan. Pas als het vijf letters zijn, wordt het moeilijk. Dyslectici van alle leeftijden hebben al met drie of vier medeklinkers grote problemen. Dit soort testen zijn pas de laatste jaren ontwikkeld en toegepast, niet zo vreemd dus dat ze nog geen onderdeel zijn van de huidige protocollen.”

Van der Leij inventariseerde Nederlandse behandelmethoden voor dyslexie in een studie die in 2006 verscheen in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek. “Wat werkt is oefenen, oefenen, oefenen”, zegt hij. “In de effectieve behandelmethoden oefenden kinderen tussen 50 en 70 uur, verspreid over een periode van meer dan een jaar. Geoefend werd met name het omzetten van klanken in geschreven taal, dus niet alleen het lezen, maar ook het spellen. Je begint met kleinere woorden en gaat dan over naar grotere woorden.”

Ook het voorbij laten flitsen van verschillende lettergrepen in allerlei varianten was onderdeel van de efficiënte methoden. Zo kan bijvoorbeeld het herhaaldelijk opdreunen van het rijtje ‘verhaal, verzonnen, verdacht’ kinderen helpen om de lettergreep ‘ver’ in één oogopslag te leren herkennen en juist uit te spreken.

De gevarieerde en intensieve behandelmethoden hadden volgens Van der Leij een “goed” effect op de vaardigheden van spellers. Kinderen die voor behandeling behoorden tot de 10 procent slechtste spellers in hun groep kwamen na behandeling uit in de zwakst scorende 30 tot 40 procent. In het lezen was er minder vooruitgang. Ongeveer eenderde van de kinderen maakt, ondanks de behandeling, niets goed van de leesachterstand op leeftijdgenoten. “Bedenk wel dat die leeftijdgenoten ook vooruit zijn gegaan”, zegt Van der Leij. “Het is ook al wat als je er als dyslecticus in slaagt om de achterstand op andere lezers niet te laten oplopen.”

Volgens de huidige regels kan een kind dyslexiebehandeling buiten school alleen vergoed krijgen als de school zelf ook al serieus heeft geprobeerd om de ernstige leesproblemen op te lossen. Het betekent dat een kind ten minste tweemaal twaalf weken vier keer per week extra geoefend moet hebben, buiten de reguliere lessen om, zonder resultaat.

Als het onderscheid naar verschillende oorzaken van dyslexie zou wegvallen, neemt het belang van deze eis alleen maar toe. Een goede zaak, meent Van der Leij. “Waar het om gaat, is dat een school alles heeft gedaan om een kind vooruit te krijgen, maar daar toch niet in slaagt.” Maassen: “Onderzoek laat zien dat meer dan de helft van de 10 procent kinderen met leesmoeilijkheden met de juiste didactische aanpak al vrij snel kan meekomen.”

Het is de taak van het onderwijs om te voorkomen dat er te veel dyslectici bijkomen, zegt Van der Leij. “Als al die zwakke lezers in de zorg terechtkomen, dan moeten we erkennen dat er in ons onderwijs een systeemfout zit. Dat is precies wat ik twee weken geleden heb proberen duidelijk te maken bij een bezoek dat ik met een aantal collega’s bracht aan staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs.”