'Holle wegen' kwamen vaak voor

Wegen van een paar kilometer lang en 20 tot wel 150 meter breed, die van niks naar nergens lopen in het landschap. Toen de holle wegen van Mesopotamië werden ontdekt in de jaren dertig waren ze een raadsel. Wat heb je dáár nu aan?

In de jaren vijftig werd duidelijk dat het informele wegen waren vanuit verdwenen oude steden in Noord-Mesopotamië, uit de periode van 3.000 tot 2.000 jaar voor Chr. Pas in de jaren negentig werd de omvang ontdekt, toen opnamen van de eerste Amerikaanse spionagesatelliet, CORONA, werden vrijgegeven.

Vanaf de grond zijn de wegen moeilijk te zien, en recente luchtopnamen zijn minder geschikt omdat door economische ontwikkeling en bevolkingsgroei veel sporen van wegen nu bedekt zijn met bebouwing. Een recente inventarisatie bracht al 6.000 kilometer in kaart. En uit een nieuwe publicatie blijkt nu dat het systeem niet beperkt was tot Noord-Syrië en Noord-Irak, en óók niet tot dat ene vroege millennium.

De antropoloog Jesse Casana van de Universiteit van Arkansas heeft in een systematische analyse van CORONA-foto’s aangetoond dat dit opmerkelijke wegenpatroon ook normaal was in West-Syrië (Qouieq- en Orontesvallei) en in Zuidwest-Iran, tot ver in de Romeinse tijd (Journal of Anthropological Archaeology, online article in press 13 februari).

Met dit onderzoek is een oud probleem opgelost: waarom werd dit systeem van uitwaaierende wegen niet elders gebruikt en waarom alleen in dat ene millennium? Het blijkt dus een veel algemener fenomeen. Het bestaan hangt waarschijnlijk wel samen met de stabiliteit van het landbezit en een vorm van ‘stedelijke’ veeteelt.

Meestal gaat de aandacht van archeologen en historici naar de grote wegensystemen, zoals die van het Romeinse leger of in het Incarijk. Maar deze korte wegen, die uitstralen vanuit oude steden, bieden veel informatie over de economie van het gebied. Over de wegen werd waarschijnlijk vee gedreven tussen de landerijen, op weg naar graasgebieden daar buiten en weer terug. De wegen zijn daarom ook al wel eens gebruikt om te schatten hoeveel akkerbouwoppervlak er per stadje gebruikt werd. Ook laten ze de omvang zien van ‘stedelijke’ veehouderij.

Ze zijn waarschijnlijk vooral overgebleven in drogere gebieden omdat daar het landschap minder is veranderd. Korte regenperiodes versterken ook het patroon, omdat door een plotseling toevloed van water de wegen extra worden uitgesleten. Vandaar de naam: holle wegen.

Een oud idee dat het hier gaat om irrigatiekanalen klopt niet omdat ze ook vaak over kleine heuveltjes lopen.

Hendrik Spiering