Geen haat? Dan zaaien we die wel

Pakistan wordt overspoeld door een golf van aanslagen op shi’ieten. Angst regeert. „We dachten dat dit in achterbuurten gebeurde, maar nu komt het heel dichtbij.”

Voordat hij de auto start, heft Shehzad Ali Zulqarnain zijn handen in gebed. Als we de stalen poort van zijn huis in Lahore uitrijden, vult het kleine autootje zich met een ijzingwekkend lied. Een mannenstem bezingt hoe imam Hussein en zijn familieleden werden afgeslacht door het leger van kalief Yazid. Het was in 680 bij Kerbala, in het huidige Irak, en het is voor shi’itische moslims nog altijd een bepalende gebeurtenis. De in hun ogen heilige Hussein gaf zijn leven in de strijd tegen tirannie. Zulqarnain draait het volume omhoog. Het lijkt alsof we geluid van marcherende soldatenlaarzen horen, maar het zijn mannen die zich pijnigen door zich hard op de borst te slaan. Zulqarnain doet het voor terwijl hij met één hand de auto bestuurt.

Het lied zorgt ervoor dat hij is voorbereid, want het kan elk moment gebeuren. Twee motorfietsen die zijn auto klemrijden, de berijders die het vuur openen. Hij zal niet terugvechten, maar sterven terwijl hij vervuld is van vrome gedachten over Husseins martelaarschap. „Ik ben niet bang”, zegt hij.

Precies zo werden een week eerder zijn neef Ali Haider, een bekende oogchirurg, en diens twaalfjarige zoontje Murtaza vermoord. Het was in de ochtend, dokter Ali bracht Murtaza naar school. „Hier was het”, zegt Zulqarneen. We rijden langs de plek waar zijn familieleden stierven. Aan de overkant, nog geen honderd meter verder, bevindt zich het zwaarbewaakte huis van de Pakistaanse vicepremier Chaudry Elahi. De agenten bij de poort hoorden de schoten en zagen de motoren wegrijden. Ze deden niets. „Ze zeiden: ons werk is hier, niet aan de overkant van de straat”, zegt Zulqarneen. „Zo gaat het steeds. Niemand helpt de shi’ieten.”

Pakistan wordt overspoeld door een golf van aanslagen op de shi’itische bevolking. Liquidaties op klaarlichte dag van prominente shi’ieten komen steeds vaker voor. Ook zijn er steeds meer bomaanslagen. Bij twee explosies in Quetta kwamen in december en januari bijna 200 shi’itische Hazara om. Afgelopen maandag vielen bij een bomaanslag in een shi’itische wijk in Karachi 48 doden. De aanslagen worden soms opgeëist door de TTP, de beweging van ‘Pakistaanse Talibaan’, maar vaker nog door Lashkar-e-Janghvi, een strijdgroep gelieerd aan al-Qaeda en de Talibaan die het speciaal voorzien heeft op niet-moslims en op shi’ieten, die ze beschouwt als ketters. Sinds 2002 kwamen volgens de overheid 1500 shi’ieten bij terreuraanvallen om het leven – alleen vorig jaar al 400.

Ook Zulqarnain staat waarschijnlijk op een dodenlijst. Hij heeft een hoge functie bij het bedrijf dat eigenaar is van Pakistans twee grootste kranten en de populaire tv-zender Geo News. „Ze pakken onze intelligentsia en proberen zo ons brein te vernietigen.” Door shi’ieten te doden die geliefd zijn en zich niet bezighouden met sektarisme, proberen de terreurgroepen bovendien angst te zaaien. Dokter Ali, die nooit sprak over religieuze kwesties en op handen gedragen werd vanwege zijn gratis operaties voor arme kinderen, was een perfect doelwit.

Het is druk op de poliklinische oogafdeling van het overheidsziekenhuis in Lahore. Dokter Ali’s co-assistenten willen graag praten, maar achter gesloten deuren. In een behandelkamer schudden ze het hoofd als gevraagd wordt of ze shi’iet zijn. „Voor ons is er geen verschil tussen shi’ieten en sunnieten”, zegt een van hen. „Dokter Ali was de beste in zijn vak, daarom wilden we les van hem.” Ze zijn bang. „We dachten dat dit in achterbuurten gebeurde, maar nu komt het heel dichtbij.”

Niemand weet precies hoeveel shi’ieten Pakistan telt. Bij de laatste volkstelling van vijftien jaar geleden werd geïnformeerd naar religie. Wie dat aan sunnieten en shi’ieten vraagt, krijgt hetzelfde antwoord: islamitisch. Vaststaat dat shi’ieten een minderheid zijn. De UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, schat dat in Pakistan zo’n 187 miljoen mensen wonen van wie 95 procent moslim is. Volgens de UNHCR is maximaal 20 procent (37 miljoen) shi’itisch. De overige 5 procent bestaat voornamelijk uit christenen en hindoes.

Er zijn in Pakistan altijd spanningen geweest tussen sunnieten en shi’ieten, vertelt Rasul Bakhsh Rais, een veelgevraagd politiek commentator verbonden aan Lahore’s University of Management Science. Normale, niet-gewelddadige spanningen, die onvermijdelijk zijn als mensen met afwijkende geloofsopvattingen dicht op elkaar wonen. „Maar nu wil een handvol terreurgroepen de sunnieten en shi’ieten tegen elkaar opzetten. Ze hopen op een burgeroorlog.” Anders dan in Irak, waar de sektarische strijd het land verscheurde, leven shi’ieten en sunnieten in Pakistan gemengd. Door anti-shi’itische terreuraanslagen van al-Qaeda ontstond in Irak een bijna-burgeroorlog omdat shi’ieten en sunnieten de delen van het land die ze in hun greep hielden, begonnen te zuiveren. Dat zal in Pakistan niet gebeuren, zegt Rais. „Vooralsnog geldt: er is geen conflict tussen de sunnitische en de shi’itische bevolking.”

Ook zonder zo’n conflict heeft Pakistan het zwaar. De steun aan de Amerikanen in Afghanistan heeft radicale sunnitische moslimgroeperingen tot vijand van de staat gemaakt. In de grensgebieden is het leger met hen in een uitputtende strijd verwikkeld. Amerikaanse raketaanvallen met onbemande vliegtuigjes op extremisten in dezelfde grensgebieden, waarbij volgens Pakistaanse media bijna altijd burgers worden gedood, heeft het vertrouwen van de bevolking in de eigen regering geschaad. En dat was toch al laag door de corruptieschandalen en een voortdurende energiecrisis, waardoor er momenteel zelfs in hoofdstad Islamabad vaak maar één uur achtereen stroom is, gevolgd door twee stroomloze uren. De energiecrisis en de onveiligheid hebben de Pakistaanse economie in een diep dal gestort. Eigenaren van katoenspinnerijen en textielfabrieken verplaatsen hun nering naar Bangladesh, buitenlandse investeringen drogen op. Terwijl de rest van Zuid-Azië zich ontwikkelt, groeit in Pakistan de armoede. De overheid investeert nauwelijks meer in onderwijs, terwijl de geletterdheid nog geen 60 procent is. Voeg daarbij de aanwezigheid van 2,5 miljoen verarmde en geradicaliseerde Afghaanse vluchtelingen en de nationalistische afscheidingsstrijd in de zuidelijke provincie Baluchistan, en het is duidelijk: een oorlog tussen shi’ieten en sunnieten is te veel voor dit gepijnigde land.

Karachi, aan de Arabische Zee, is Pakistans grootste en meest gewelddadige stad. Hier vinden de meeste aanslagen op shi’ieten plaats. Het geweld escaleert, zegt Syed Samshuddin, coördinator van Karachi’s afdeling van de Pakistaanse Mensenrechtencommissie, die huist in een donker kantoortje in een grauw flatgebouw. In 2011 vielen door sektarisch geweld in Karachi 23 doden, voornamelijk shi’ieten. Vorig jaar 104, en alleen al in januari van dit jaar werden 17 mensen gedood.

Maandagavond explodeerde een bom in de wijk Abbas Town, waar veel shi’ieten wonen. Er vielen 48 doden en 150 gewonden. Meteen daarna braken schietpartijen in de omgeving uit. De volgende dag keerde de rust terug. De Rangers, een zwaarbewapende paramilitaire politie-eenheid, heeft de wijk afgegrendeld. De bom heeft de gevels van twee appartementencomplexen weggeslagen. Vrijwilligers zijn druk bezig om het puin te ruimen.

Tahawor Abbas (21) helpt met puinruimen. „Niemand beschermt ons”, zegt hij. „Wij zijn ook Pakistanen, maar pas uren na de aanslag was de politie hier en zelfs nu helpen de Rangers ons niet.” Er is inderdaad geen overheidsdienst te bekennen. De ambulances zijn van shi’itische liefdadigheidsorganisaties, en ongewapende shi’itische padvinders in camouflagevesten proberen de orde te handhaven. Het lukt ze niet te voorkomen dat nieuwsgierige mensen rondscharrelen in de puinhopen.

Zia Abbas (24) is een van hen. „Dit is niet alleen ons probleem. Onder de doden waren zeker 21 sunnieten. Maar de overheid helpt ons niet.” Hij schudt zijn hoofd als hem gevraagd wordt hoe lang het nog duurt voordat de shi’ieten terugslaan. „Dat doen wij niet. Wij zijn geen terroristen.”

Dat is niet helemaal waar. Sinds enkele maanden worden in Karachi aanslagen gepleegd op radicale sunnitische geestelijken. Die aanslagen zijn vaak knullig opgezet en worden nooit opgeëist. Murtaza Raza weet vrijwel zeker dat het shi’itische jongeren zijn die het heft in eigen hand hebben genomen. Raza, een veertiger en bouwkundig tekenaar, is actief in Karachi’s shi’itische gemeenschap en wil alleen praten op een veilige plek. Hij weet precies wat een kilo springstof (16.000 euro) en een kogel (4 euro) kosten . Een kalasjnikov kost omgerekend iets meer dan 150 euro. „Iedereen weet hoe je er aan kunt komen.”

Eind januari werd een vriend van hem gedood; hij kreeg een kogel in zijn hoofd toen hij in zijn tuin de krant aan het lezen was. Toen de familie hem wilde begraven, probeerde een groep jongeren dat te beletten. Ze waren woedend. Ze wilden met het lichaam door de straten trekken, leuzen schreeuwen en protesteren. „Jongens van een jaar of twintig. Zij zijn het zat, zij beginnen terug te vechten”, zegt Raza. „Dat is niet goed. Wij wonen in een gebouw met zestien shi’itische en zestien sunnitische gezinnen. Stel je voor dat iedereen naar de wapens grijpt.”

Voorlopig zal dat niet gebeuren, zegt hij, maar het hij vreest dat het moment dichterbij komt. „Het hangt af van onze leiders. Die luisteren naar ayatollah Khamenei in Iran. Wij zijn strakker georganiseerd dan de sunnieten. Als Khamenei toestemming geeft om terug te vechten, laten onze leiders de imams in de moskee de boodschap verspreiden.”

In Lahore rijdt Shehzad Zulqarnain in zijn autootje naar het huis van dokter Ali. Het wordt niet bewaakt. De vader van dokter Ali rommelt in een lade van zijn zoons bureau, gevuld met foto’s. „Ik weet zeker dat er een is van ons samen”, zegt hij. Hij is 85 en eveneens chirurg. Hij kan de foto niet vinden. Aan een pilaar hangt een ingelijst portret van dokter Ali met een kind op de arm. Waarschijnlijk is het Murtaza. „Ik weet niet zeker of het mijn kleinzoon is”, zegt dokter Ali’s vader. Tranen stromen over zijn wangen. Hij laat zich in zijn stoel zakken. „Uit de handen van mijn zoon kwam niets dan goeds. Hij had geen vijanden.”

Een slungelige puber met half geloken ogen komt binnen. ‘Raising hell’ staat op zijn t-shirt. Hij heet Assad (‘Leeuw’) en hij is dokter Ali’s oudste zoon. Neef Zulqarnain omhelst hem en vraagt hoe hij zich voelt. De Leeuw ploft in een fauteuil en kijkt zwijgend voor zich uit. Dan begint hij te lachen en schudt zijn hoofd. Zulqarnain probeert het met een andere vraag. „Wie zitten hier achter, Assad? Wat denk jij?”

Maar grootvader grijpt in. „Vraag dat toch niet”, zegt hij, en maakt een afwerend gebaar. Zulqarnain doet er het zwijgen toe.

„Ze zijn bang”, zegt hij als we weer in het autootje stappen. Het martelaarslied schalt uit de autoboxen. Zulqarnain slaat zich op de borst en zingt hard mee.