De linolzuur-tapes

Een dieet met veel linolzuur verhoogt de kans op een hartinfarct. Dat rapporteerden de Amerikanen Ramsden en Hibbeln vorige maand in de British Medical Journal (BMJ), en dat terwijl deskundigen al 50 jaar adviseren om juist méér linolzuur te eten. Moeten die voedingsadviezen op de helling?

Linolzuur is een type vet. Er zijn vier soorten vet: verzadigd, onverzadigd, transvet en meervoudig onverzadigd vet, en van meervoudig onverzadigd vet zijn er weer twee typen: omega-3 en linolzuur. We eten gemiddeld een ons per week van dat meervoudig onverzadigde linolzuur en ons lichaam bevat er ongeveer twee kilo van.

Als verzadigd vet in de voeding wordt vervangen door linolzuur daalt het gehalte van het ‘slechte’ LDL-cholesterol in het bloed. Hoe lager het LDL-cholesterol, hoe kleiner de kans op een hartinfarct, dus linolzuurrijk voedsel zou tot minder hartinfarcten moeten leiden. Om dat te testen kregen in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw duizenden mensen jarenlang linolzuurrijke soja- en maïsolie te eten in plaats van het verzadigd vet uit vlees, melk en kaas. In Sydney werd in 1966 ook zo’n onderzoek gestart. Tweehonderd patiënten die een hartinfarct hadden overleefd kregen linolzuurrijke margarines en olie te eten in plaats van roomboter, en tweehonderd andere patiënten dienden ter vergelijking.

Het was geen denderend onderzoek. Het aantal proefpersonen was klein, er werden geen metingen in bloed gedaan om vast te stellen wat de deelnemers echt aten en na vijf jaar was tweederde van de patiënten onvindbaar. De uitkomsten werden nooit bekendgemaakt in de vorm van een wetenschappelijke publicatie. Wel verscheen er een congresverslag waaruit bleek dat in de linolzuurgroep meer mensen waren gestorven dan in de gewone groep: 39 sterfgevallen tegen 28. Dat was onverwacht, maar het verschil van elf kon volgens de onderzoekers een toevalsuitschieter zijn, ze trokken er geen conclusies uit. Het was ook niet meer zo relevant, want intussen hadden grote, degelijke studies in Amerika, Engeland, Noorwegen en Finland aangetoond dat vervanging van verzadigd vet door linolzuur wel degelijk de kans op een hartinfarct verkleinde.

Daarover is wel nog steeds discussie. Met name Ramsden en Hibbeln geloven dat linolzuur juist ongezond is: het zou hartinfarcten en beroertes veroorzaken en daarnaast vetzucht, leververvetting, de ziekte van Alzheimer, chronische hoofdpijn, ontstekingen, manische depressiviteit en moord- en zelfmoordneigingen. Op zoek naar ondersteuning van hun theorieën ontdekten ze een oude magneetband met gegevens van de Sydney studie. Die verwerkten ze tot een publicatie en zo verscheen de studie na 40 jaar toch nog in een wetenschappelijk tijdschrift.

Helaas neemt die publicatie de tekortkomingen van het onderzoek niet weg. De magneetband bevatte geen nieuwe gegevens, het nieuwe zit vooral in de statistische analyses. Er waren nog steeds elf sterfgevallen extra in de groep die veel linolzuur had gegeten, maar dankzij geavanceerde wiskundige modellen werd dat verschil nu statistisch significant. Ik vind het dubieus om zoveel statistische berekeningen los te laten op een beperkt aantal uitkomsten; de oorspronkelijke verklaring van een toevalsuitschieter lijkt me nog steeds aannemelijk. Daarnaast zat er in de ‘linolzuurrijke’ margarines een grote hoeveelheid transvet, en dat verhoogde de kans op hartinfarcten. Bij ons heeft in linolzuurrijke dieetmargarine nooit transvet gezeten, maar Australiërs hadden destijds van margarinefabricage weinig kaas gegeten en in hun ‘gezonde’ margarines zaten schrikbarende hoeveelheden transvet. Het werd in die tijd als onschuldig beschouwd, dat het hartinfarcten veroorzaakte bleek pas twintig jaar later.

Ramsden en Hibbeln hebben een andere theorie. Zij menen dat door een overmaat aan linolzuur het meervoudig onverzadigde omega-3 vet linoleenzuur verdrongen wordt uit de voeding en uit het lichaam. Omega-3 zit in visolie, en linoleenzuur is een plantaardig surrogaat voor visolie. Het schijnbaar gunstige effect van linolzuur op hartinfarcten verklaren Ramsden c.s. doordat linolzuurrijke producten vaak ook linoleenzuur bevatten.

Deze linoleenzuurhypothese kent enthousiaste aanhangers. Zij denken dat het eten van meer linoleenzuur allerlei ziekten voorkomt. Dat enthousiasme leidt tot nieuw onderzoek, en dat is mooi. Helaas heeft het tot nu toe weinig bewijs opgeleverd dat meer linoleenzuur eten ergens goed voor is. Die verdringing van linoleenzuur door linolzuur lijkt vooral een reageerbuisfenomeen. Bovendien eten we al jaren naast linolzuur aardig wat linoleenzuur, dus de mogelijke winst van meer linoleenzuur eten is beperkt.

De opzienbarende conclusies van deze nieuwe publicatie waren dus niet gebaseerd op degelijke gegevens. Waarom werd het artikel dan opgenomen in de British Medical Journal, een tijdschrift met een grote reputatie? Ik vrees dat de redactie door de knieën is gegaan voor de jongensboekenromantiek van de Verloren Gewaande en Teruggevonden Tapes. Verder is het altijd verleidelijk om bestaande wijsheden aan te vechten. Maar het was – om in Australische termen te blijven – veel geschreeuw en weinig wol.

Voor bronnen zie mkatan.nl. Martijn Katan ontving tussen 1986 en 2001 subsidies van levensmiddelenindustrieën, waaronder Unilever, voor zijn onderzoek naar voeding en hart- en vaatziekten.