Brood bakken tussen de sterren en fossielen

Neil Shubin, The Universe Within. A Scientific Adventure Penguin Books, 225 blz. €20,99

Neil Shubin maakte faam als één van de ontdekkers van Tiktaalik, een fossiel van een vis met een platte kop, longen en proto-ledematen. Shubin schreef er in 2008 Your Inner Fish over, waarin hij uit de doeken deed hoe de geschubde blauwdruk van die vis in de loop van de evolutie verwrongen werd tot ons harige zoogdierlijf.

Shubin heeft nu de vingerkootjes en vinnen vaarwel gezegd en zijn tanden in het universum gezet. Wij zijn het universum, is de boodschap van zijn nieuwste boek. In elkaar stortende sterren, rijzende bergketens en schuivende continenten lieten allemaal hun sporen na in onze genen, cellen en lichamen.

De paleontoloog en anatoom uit Your Inner Fish ontpopt zich in The Universe Within tot verdienstelijk kosmoloog en prima geoloog. Toch doen de eerste hoofdstukken over het ontstaan van heelal en zonnestelsel muf aan. Ja, de atomen waaruit wij bestaan, zijn in het binnenste van sterren gesmeed. Dat blijft een wonderlijk feit. Maar Shubin voegt weinig toe aan wat Carl Sagan al in 1980 in zijn populaire televisieserie Cosmos zei ‘The cosmos is also within us. We’re made of star-stuff.’

Pas in de latere hoofdstukken komt Shubins bonte wetenschapsstoet goed op gang. Aan de hand van vreemde experimenten (overleven kikkers een val van vijf hoog?), barre expedities en vergeten geleerden maakt Shubin duidelijk hoe onze aarde en wij in elkaar steken.

Soms zijn de verbanden die Shubin legt tussen ons eigen bestaan en de grote, kosmologische gebeurtenissen vergezocht, of erger nog: triviaal. Is het echt zo’n verrassing dat onze biologische klok is afgestemd op de omwentelingen van de aarde rond haar as? Wat ook niet helpt is dat Shubin strooit met bespiegelingen die diep klinken, maar weinig zeggen: “Het leven verandert de aarde, de aarde verandert het leven en [wij] dragen de consequenties daarvan in ons mee.” Shubin kan best zonder die tegelwijsheden, want hij is een begaafd verteller met een fijne pen.

Ook jammer is dat Shubin soms met grote woorden snel thuis wil zijn. In het hoofdstuk Seeing it All beschrijft hij bijvoorbeeld hoe de aarde 40 miljoen jaar geleden afkoelde toen India op Azië afkoerste, en het Himalaya-gebergte verrees. Die koudeperiode koppelt Shubin rechtstreeks aan het ontstaan van kleurenzien, zonder dat scenario hard te maken. Normaal wordt dat kleurenzicht gekoppeld aan het eten van fruit. Maar volgens Shubin ontstond het juist omdat onze kleurenblinde voorouders door de kou overgeschakelde op een dieet van blad en gras. Hoe meer kleuren groen zij konden onderscheiden hoe beter. Logisch toch? Over de andere theorie geen woord.

Shubin excelleert wel in kleine anekdotes. Hij moet een geweldig spreker zijn. Zoals in het verhaal van Marie Tharp, die in de jaren ‘50 als assistente van geoloog Bruce Heezen de bodem van de Atlantische Oceaan in kaart bracht. Ze ontdekte een bergketen die zich over de gehele noord-zuidas van de Atlantische Oceaan uitstrekt. De implicatie was immens: de oceaankorst is niet statisch, maar wordt steeds opnieuw aangelegd en afgebroken, continenten verschuiven. Girl talk, sneerde Heezen.

Met dit boek heeft Shubin te veel kosmisch hooi op zijn vork genomen. Het wetenschappelijke avontuur van het onderzoek naar alles voelt daardoor vluchtig en plichtmatig aan. In nog geen 200 pagina’s raast Shubin nu van het ontstaan van het heelal naar de ontwikkeling van de iPad. De evolutie van de mens stampt hij er in drie pagina’s doorheen.

Toch ligt er een ander, veel spannender boek verscholen in The Univers within. In een voetnoot nota bene verhaalt Shubin over het belang van goed eten tijdens een Arctische expeditie. Na een dag fossielen jagen in regen en kou bakten ze hun eigen brood. Dat brood smaakte natuurlijk naar beton, maar daar ging het helemaal niet om. De geur van versgebakken bracht zelfs de knorrigste paleontologen tot bedaren. Over die avonturen zou je nog veel meer willen lezen.