BRIEVEN

Groningen beeft

Karel Knip schreef een zeer lezenswaardig artikel (Die zwaardere beving zal er komen, wetenschapsbijlage, 2/3 maart). Hieronder enige kanttekeningen.

De precieze geomechanische relatie tussen gaswinning en aardschokken mag dan onbekend zijn (en waarschijnlijk ook blijven), zeker is dat frequentie en kracht van de bevingen samenhangen met die gaswinning. Vermindering van de gasproductie leidt mogelijk tot minder (zware) bevingen, zeker niet tot meer. Om deze reden sta ik vierkant achter het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen om de productie uit voorzorg zo veel als mogelijk is te beperken.

Zolang niet bekend is wat precies het mechanisme achter de aardbevingen is, is het onverantwoord te stellen dat aardbevingen in kleine velden niet voorkomen. Een dergelijke stelling is al tal van keren (o.a. Bergen, Roswinkel, Eleveld) onjuist bevonden.

Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) gaat weliswaar uit van het voorzorgsprincipe, maar waarschuwde tot dusverre alleen de mijnbouwer bij dreigend onheil. Gemeenschappen die gevaar lopen blijven in het ongewisse. Dat minister Kamp en niet SodM het bevingenrapport Groningen openbaar maakte is een novum.

Ervaringen uit het verleden geven geen garantie voor de toekomst. Dat geldt onverkort voor empirische modellen. Uit een empirisch model kan per definitie niets blijken ten aanzien van de toekomst.

Dat de minister in kan grijpen bij overschrijden van in het winningsplan genoemde limieten, maar het nooit doet (anders dan achter de schermen nog eens laten studeren) komt neer op het afschepen van andere belanghebbenden met een valse belofte.

Kan de NAM serieus worden genomen, als het tegelijk zegt nog nader onderzoek te moeten doen naar de precieze relatie tussen gaswinning en bodembeweging en overweegt een gewijzigd reservoirbeheer toe te passen dat de kans op bevingen kan verkleinen?

De NAM zegt dat vermindering van de productie snelheid niet leidt tot minder bevingen over de hele periode. Hoe weet je dat, als je het mechanisme erachter niet kent? NAM winkelt selectief in de vele hypotheses, alle onbewezen.

Adrian Houtenbos

Haren

Schuiven met stukken

Een familielid schoof me vanwege het artikel Schuiven met stukken (wetenschapsbijlage, 27/28 januari) de NRC toe, wetende dat ik me sinds 1975 bezighoud met de geschiedenis van bordspelen, vooral van schaken en dammen, vanuit het perspectief van de historische linguïstiek. Dat was binnen de bordspelwereld een onbekende benadering.

Ik veroorloof me een opmerking over de zin ‘De dame werd machtig dankzij de Mariaverering’.

Eind 15de eeuw werd in Spanje het schaakspel flink opgeschud, onder meer doordat de middeleeuwse koningin de huidige (grotere) actieradius kreeg toegekend. De naam voor die ‘nieuwe’ koningin was dama. In schaakkringen wordt al meer dan een eeuw over de betekenis ervan gespeculeerd: de naam zou een verwijzing zijn naar Jeanne d’Arc, of koningin Isabelle van Castilië, of zelfs, blasfemisch, Maria, de moeder Gods.

Maar je lost het probleem natuurlijk niet op met speculeren maar met onderzoek, in dit geval door het gereedschap van de historische taalkunde te gebruiken, want het gaat om de verklaring van een woord.

Welnu, het woord dama komt uit de damtaal, is in de betekenis ‘plaats waar de damschijf en de schaakpion promoveren’ ontleend aan het Frans en is gerelateerd aan de Franse naam voor damspel, jeu de dames.

In elk ouder etymologisch woordenboek vind je de omgekeerde verklaring: jeu de dames gaat terug op het woord dame = ‘schaakkoningin’ en betekent derhalve letterlijk ‘spel met schaakkoninginnen’, maar in het Etymologisch woordenboek van het Nederlands (Amsterdam 2003 en later, waar uw columniste Nicoline van der Sijs aan meewerkte) staat de etymologische verklaring uit mijn proefschrift.

dr. Arie van der Stoep

Historisch taalkundige