Zingen op een contrabas – het kan wél

Rick Stotijn (30) wilde hoornist worden, maar na een trap van een paard werd het de contrabas. Vanavond wint hij de Nederlandse Muziekprijs.

Contrabassist Rick Stotijn kan zijn instrument lichtvoetig laten swingen en dansen. Foto Ilvy Njiokiktjien

Virtuoos zijn op de contrabas – dat is zoiets als zwaarlijvig en trapezeartiest. Zou je denken. Maar contrabassist Rick Stotijn kan zijn instrument wel degelijk lichtvoetig laten swingen en dansen. Luister maar naar zijn debuut-cd met werk van de 19de-eeuwse componist Giovanni Bottesini – zelf óók een soort Paganini van de bas. Stotijn weet raad met alle rappe loopjes, met de lyrische lijnen. Zingen met een hele lage stem; het kan dus wél.

Mede daarom krijgt Rick Stotijn (1982) vanavond de Nederlandse Muziekprijs uitgereikt: de hoogste staatsonderscheiding voor klassieke musici. Stotijn komt uit een muziekfamilie. Vader Peter is contrabassist, moeder van huis uit pianiste en zus Christianne (1977) een internationaal succesvol mezzosopraan. De legendarische hoboïsten Jaap en Haakon Stotijn zijn verre ooms.

„Muziek was vanzelfsprekend aanwezig”, zegt Stotijn. „Als mijn vader niet studeerde was mijn moeder naar een concert. Of we moesten mee naar een viool-voorspeelmiddag van mijn zus, met veel krassende kleuters. Maar mijn ouders dwongen ons niet. Mijn broer is IC-verpleegkundige geworden, geen musicus. Als ik goed had gevoetbald, hadden ze me daarin gestimuleerd.” Zijn vader, ook jarenlang zijn leraar, was „de perfectionist op de achtergrond”, zegt hij. „Al is het natuurlijk wel bijzonder om met je leraar in één huis te wonen.”

In eerste instantie wilde Stotijn hoornist worden. Maar een trap van een paard verbrijzelde zijn kaak – en droom. De hoorn werd een basje, dat met Rick zelf meegroeide tot de volwassen contrabas die hij bij zijn vader had gezien en bewonderd. „Ik vond het een stoer instrument. Groot en gaaf, zo warm van klank.”

Hoewel hij als tiener graag naar Michael Jackson luisterde en dan zelf de baslijntjes meeplukte, volgde Stotijn het klassieke traject. Hij voerde de contrabasgroep aan in een jeugdorkest. Ging op tournee. Won concoursen. („Als contrabassist spring je er, anders dan een violist, snel uit hoor.”) Al doende ontdekte hij het plezier van samen muziek maken. „Dat de bas mijn leven werd, werd op een organische manier steeds duidelijker.”

De tandarts herstelde zijn gebit; wat hij aan de paardentrap overhield waren duizelingen. „Ik voelde me vaak niet lekker. Daar werd ik dan soms wat somber van, ik heb tot jaren erna gevreesd dat ik het niet vol zou houden om musicus te zijn. Tegelijkertijd was de bas dan weer een lekkere uitlaadklep.”

Met de tijd ging het beter, maar nog steeds rijdt hij, liever dan te vliegen,met de auto van Amsterdam, waar hij voor het laatste jaar solobassist is in strijkorkest Amsterdam Sinfonietta, naar Berlijn, waar hij solobassist is in het omroeporkest. Om van daaruit weer door te reizen naar Stockholm, waar hij óók een orkestbaan heeft. En twee contrabassen. „Ik heb zes bassen, in elke stad twee. Een contrabas is een onhandige reisgezel.”

Zes bassen, drie orkesten – het lijkt veel. „Ik kan slecht nee zeggen”, erkent hij. „Het orkest in Stockholm is leuk en open, chef-dirigent Daniel Harding een vriend. Dáár kan ik de musicus zijn die ik wil zijn. In Berlijn is alles formeel en hiërarchisch.” De keuze is professioneel dus duidelijk. „Het plan was met Berlijn te stoppen. Maar toen vond ik er de liefde van mijn leven. Dus nu weet ik het even niet.”

De lijstjes met ‘voors’ en ‘tegens’ vormen al een stapeltje. Uiteindelijk zal het uitlopen op één al dan niet vaste orkestbaan, gecombineerd met lesgeven, solowerk en kamermuziek maken. Op een tournee met zijn zus Christianne verheugt hij zich al.

Stotijn ‘zat’ drie jaar in het traject voor het winnen van de Muziekprijs, dat kanshebbers (heel soms worden kandidaten tijdens het traject nog te licht bevonden) in staat stelt zich verder te ontwikkelen tijdens een persoonlijk studietraject.

Hij nam yogales, „om te leren doorademen, ook als ik helemaal over mijn instrument heen gebogen sta.” En volgde sessies bij een sportcoach, om concerten te leren voorbereiden als wedstrijden en werk- en studieschema’s te leren maken.

Maar de hoofdmoot waren ‘gewone’ lessen bij Bozo Paradzik, die hem wegwijs maakte in de Duitse, onderhandse streektechniek. „Mijn vader was er, zoals de meeste Nederlandse klassieke bassisten, tegen dat ik ‘Duits’ ging spelen. Maar ik kan nu een dieper geluid maken. Als je luistert naar de basklank van de Berliner Philharmoniker, hoor je ook dat ze onderhands strijken: dat gonzende, ronkende geluid.”

Voor uitstapjes naar andere genres, zoals veel andere Muziekprijswinnaars maakten, koos hij niet. „Maar het zou zeker beter zijn als grenzen tussen muzikale genres vager waren. Waarom heb ik niet leren improviseren, zoals een jazzbassist wél? Ik speel graag bluegrass; daarin was het van pas gekomen. Voor barokmuziek geldt het ook. Bij barokbassisten hoor je dat ze snappen hoe die muziek in elkaar zit.”

Recital uitreiking Muziekprijs 8/3 Concertgebouw A’dam met muziek van Schnittke tot Piazzolla. Debuut-cd ‘Capriccio di Bravura’ op Channel Classics. Info: www.rickstotijn.com