Zangerige dichter met bezwerende voordracht

In de poëzie van Tsjêbbe Hettinga waart de geest van Slauerhoff: dezelfde zwerversromantiek, over zee, havens, vrouwen en vergankelijkheid.

Foto Sake Elzinga

Het eerste wat ik ooit van de gisteren gestorven Tsjêbbe Hettinga hoorde, was zijn stem – en ik was meteen verkocht. Wat een toon, wat een timbre, wat een ritme.

Wat hoorde ik? Vervoering en verlangen, weemoed en weerbarstigheid. Ik hoorde een zanger. En toen wist ik nog niet eens dat hij blind was, en al zijn lange gedichten met al die lange regels uit zijn hoofd opzei. Ik verstond lang niet alles. „Oan swarte stielkabels hawwe de bokken / de nacht boppe see en haven úttakele.”

Een prachtig beeld, zou ik later begrijpen: in de donkere havenstad hebben de hijsbokken de nacht aan zwarte staalkabels boven de zee en de haven uit getakeld.

Het was te horen op de cd die meegeleverd werd met de bundel Frjemde kusten / Vreemde kusten (1995), met vertalingen door Benno Barnard. Hiermee brak de in 1949 in Burgwert (bij Bolsward) geboren dichter door naar een veel groter publiek. Hettinga werd bekend. Door zijn sensationele bezwerende voordracht. Doordat hij blind was, net als Homerus en de oer-Friese bard Bernlef. En door zijn poëzie: zangerige gedichten, met een verhalende inslag, over zee, havens, vrouwen en vergankelijkheid. In dat werk waart de geest van Slauerhoff.

Maar er was bij hem ook een ander soort vervoering: opgaan in het licht, in de wind, in het landschap. Niet per se het Friese landschap. Hettinga’s gedichten spelen zich op allerlei plekken van de wereld af: Wales, Griekenland, Amerika, IJsland. Zijn werk werd in een vijftal talen vertaald. In 2001 kreeg hij de Gysbert Japicxpriis voor zijn hele oeuvre.

Hettinga’s zwerversromantiek had iets gedateerds, maar ik heb er toch steeds een zwak voor gehad. Hettinga’s poëzie was sfeervol en meeslepend, met veel verrassende beelden en nieuwe woorden. De nachtelijke hemel boven New York zag hij als „een zwart-fluwelen speldenkussen vol spatten licht”. Lamme vleugels: „skûteldoeklamme flerken”, „vaatdoeklamme vlerken”. Wier was „tabak van de zee”. En de snavels (Fries: „snaffels”) van de aalscholvers waren „gele wasknijpers”.

In een van de gedichten uit zijn laatste bundel (Equinox / Evening, 2012) vertelde hij hoe hij bij iemand in de auto stapt. Er wordt niets gezegd. De man achter het stuur lijkt hem met zijn ogen te vragen hoe het met hem is. En dan staat er: „Trage ruitenwissers wisten links noch rechts een antwoord”. Het is een mooie manier om „ik weet het niet” te zeggen.

Hettinga’s poëzie is geen poëzie om na te vertellen. Hij schreef poëzie om in op te gaan en om te ondergaan, als muziek. Hij is de haven uitgevaren en weggezeild en nu, wie weet, ergens voor anker gegaan. „De zware klank van ijzer in water en dan de diepte der dobberende stilte.”

„De swiere klank fan izer yn wetter foar anker yn ’e djipte fan de dobberjende stilte.”