Zal ik nu alvast afscheid nemen?

In zijn nieuwe roman laat Thomas Verbogt zijn hoofdpersoon weer terugkijken op zijn leven – maar ook vooruit. Eén vrouw zal voor hem de kleur van geluk bepalen.

Thomas Verbogt is goed in korte, laconieke zinnen. ‘Ik heb haast’, laat hij hoofdpersoon Daniël Timmer tegen zichzelf zeggen in de nieuwe roman Kleur van geluk, ‘en ik weet niet waarom’. Daniël is een 60-jarige schrijver van romans, verhalen en toneelstukken, net als Verbogt. Hij vindt zichzelf te vluchtig. Hij meent dat hij meer tijd moet nemen om over belangrijke dingen na te denken. Over de vraag bijvoorbeeld of hij nu niet alvast afscheid moet nemen van zijn oude moeder, nu ze er nog is en nog niet helemaal vergeetachtig is geworden. Hij vindt het raar dat hij nooit iets leest over deze delicate kwestie, terwijl er toch ‘eindeloos’ geschreven wordt over alles ‘wat ons kwelt’.

Het is een grappig verwijt dat Daniël zich hier maakt. Want als er iemand de tijd neemt om alles rustig uit te leggen, en van voor en achter te bekijken, dan is hij het wel. De roman komt zelfs bepaald traag op gang, met veel terzijdes en geduldige uitleg.

Toch is het zelfverwijt ook wel weer te begrijpen. Door de dood van zijn beste vriend voelt hij zich teruggeworpen op zichzelf. Zijn leven staat in het teken van het afscheid. Eerst van zijn vader, daarna van zijn vriend, en binnenkort misschien ook van zijn moeder. De hoogste tijd dus om zich te bezinnen. Wie is hij? Wat heeft hij van zijn leven gemaakt? Dat zijn de steeds opnieuw opduikende vragen die hij zich stelt. En dus wordt er, zoals altijd in de boeken van Verbogt, van zijn debuut Feestavond (1981) tot en met zijn vorige roman Perfecte Stilte (2011) ruimschoots teruggeblikt.

We krijgen episoden te zien uit een eenzelvige jeugd in Nijmegen, niet toevallig ook de geboortestad van Verbogt. We luisteren mee naar de Rolling Stones en Bob Dylan en vangen soms ook een flard Bach op. We fietsen mee over de glooiende Elyzeese Velden waar hij zich verbaast over de wolken en de kleur van het licht.

En vooral verplaatsen we ons in het hoofd en de ziel van de schrijver in de dop die op zijn vijftiende al in twee werelden leefde: in de wereld van alledag waarin de boventoon werd gevoerd door rijke, zelfgenoegzame directeurszoons en -dochters en de wereld van de verbeelding waarin hij het zelf voor het zeggen had.

Opmerkelijk is dat er in het hele boek geen aandacht wordt besteed aan het schrijven zelf, of aan welk gepubliceerd boek dan ook. Hooguit wordt losjes opgemerkt dat er op enig moment gewerkt is aan een toneelstuk, een verhaal of een roman. Ook gaat het nergens over typische auteursproblemen als schrijfkramp, gebrek aan inspiratie, een iets te snel naderende deadline of een ongunstige recensie.

Schrijfkramp

Het enige waar Verbogt, namens hoofdpersoon Daniël, nog wel eens iets over kwijt wil, steevast op geprikkelde toon, is de kwestie van de roem. Daar gaat het hem niet om. Maar sommige collega-schrijvers, zegt hij, gaan juist nogal prat op hun naamsbekendheid en beroemdheid. Die zouden zich dan ineens kleden in Italiaanse maatpakken, waarbij ze nonchalant leunen op een wandelstok. ‘Beroemd zijn in dit land’, moppert hij, met een wat eigenaardige metafoor, ‘verandert je in een logge praalwagen op houten banden.’

Kleur van geluk is wat je noemt een poëticale roman, maar het schrijverschap zelf en eigenlijk ook de persoon van de schrijver blijven grotendeels onzichtbaar. Verbogt demonstreert hier hoe je, met behulp van wat losse gegevens, een samenhangende roman over een Nijmeegse schrijver kunt componeren. Daarin switcht een schrijversfiguur, met weinig omlijnde karaktertrekken, soepeltjes tussen een jong en een veel ouder zelf, tussen paniek en berusting, tussen aarzelend begin en afscheid.

Verhouding

Het tussenstuk ontbreekt – om zo te zeggen. We zien de schrijver in twee gedaanten: als rijpere man, ‘enorm zestig’, zich bezinnend op zijn leven tot dusver, en als jonge man, die betekenisvolle ervaringen aan het verzamelen is om schrijver te kunnen worden.

Verbogt laat hier nog maar eens zien dat die ervaringen, opgedaan in de kinderjaren, de goudmijn vormen van elke nostalgisch ingestelde schrijver. De eerste keer is bepalend, zo geeft hij ons steeds maar weer te verstaan. Dat geldt voor de eerste keer dat iemand bepaalde muziek hoort of een bepaalde film ziet, maar ook voor allerlei gevoelige ervaringen. ‘Zo gaat het ook met verliefdheid, met rouw, met in de steek gelaten worden, met angst om alleen te zijn, angst alleen te blijven, met iemand bedriegen, met wezenlijk gekrenkt worden.’ En dus is hij erop uit om die eerste ervaringen te koesteren en opnieuw te beleven.

Kleur van geluk moet het vooral hebben van twee hernieuwde ontmoetingen met mensen van vroeger – die de hele geschiedenis richting en betekenis geven. De ene ontmoeting is met directeurszoon André die aan lager wal is geraakt. Hij staat te posten voor een supermarkt. Dat levert een tragikomische episode op, waarin de rollen van vroeger zijn omgedraaid. Nadat hij zijn ontluisterende levensverhaal heeft verteld, brengt André, met verrassend weinig omhaal, in een krakkemikkig arbeidershuisje aan de rand van de stad, een al langer geplande zelfmoord ten uitvoer met een zogeheten ‘P5’. Daniël krijgt daardoor nog eens de bevestiging dat hij heel wat meer van zijn leven heeft gemaakt dan dit rijkeluiszoontje.

De andere ontmoeting, met Carol, een veel oudere dame, voert ons in het hart van de roman. Daniël haalt herinneringen op aan de kortstondige verhouding die hij met haar, de moeder van een leeftijdsgenote, heeft als hij een jaar of 17 is. Zijn ogen worden voorgoed geopend.

Niet het leeftijdsverschil blijkt bepalend, maar een gedeeld levensgevoel. Sindsdien weet hij waarvoor hij leeft – al is het, doordat ze betrapt worden door haar echtgenoot, ook al gauw weer zonder haar. Zij bepaalt voor altijd de kleur van geluk.

Dat haar geest, veertig jaar later, bij de hernieuwde ontmoeting, door Alzheimer blijkt uitgedoofd, verandert niets aan zijn ervaringen van toen. Een ongebruikelijke, maar zuivere liefdesgeschiedenis, in eenvoudige, luchtige woorden verteld.

Het is jammer dat Verbogt er in een laatste hoofdstuk nog een ingewikkeld oorlogsverhaal aan vastknoopte, ter verbreding of verdieping van de intrige, waardoor Carol na de bevrijding ten onrechte als ‘fout’ werd bestempeld – met alle nare gevolgen van dien.

Ik heb besloten dat ik dit staartje van het boek, in mijn ogen overbodig, maar gewoon wegdenk. Dan houd ik nog altijd een mooie, stevige roman in handen, over een oude jongen, of jong gebleven zestigjarige, die weer wat verloren tijd heeft weten veilig te stellen.