We verleggen de regie naar de musea zelf

De Raad voor Cultuur ligt onder vuur met zijn advies over subsidie aan musea. Lejo Schenk en Edwin Jacobs pareren de kritiek die er kwam op hun voorstellen.

De hysterische beschouwing van Marc Chavannes over de Raad voor Cultuur in NRC Handelsblad van zaterdag 2 maart zal bij menig lezer de vraag hebben opgeroepen wat die raad bezield heeft. De werkelijkheid is dan ook anders dan Chavannes in zijn column suggereert.

Op donderdag 31 januari presenteerde de raad een advies over de toekomst van het museale bestel aan cultuurminister Jet Bussemaker. De oorspronkelijke adviesaanvraag kwam nog van staatssecretaris Zijlstra uit het vorige kabinet, maar werd door de nieuwe minister gehandhaafd.

Het advies moest niet alleen gaan over de groep van 29 structureel gefinancierde rijksmusea, maar ook over het integrale ‘bestel’ van de vele honderden musea die ons land rijk is. De meeste van die musea worden door gemeenten en provincies gesubsidieerd.

Na raadpleging van zeer veel deskundige betrokkenen en ondersteunende organisaties in de Nederlandse en buitenlandse museumwereld kwam de voorbereidende commissie- Musea van de raad tot een analyse die ook al door de commissie Asscher-Vonk was neergelegd: overheidsfinanciering is steeds minder vanzelfsprekend, musea moeten zelf nieuwe wegen vinden en samenwerking is noodzakelijk.

Om die noodzakelijke samenwerking tussen met name rijksmusea en overige musea te ondersteunen, de uitwisseling van collecties te versoepelen en het risico van verkoop van publieke collecties voor exploitatiedoeleinden te beperken, moeten er wel een aantal dingen geregeld worden. Daarom stelt de raad voor een wettelijk kader te maken waarin de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de verschillende bestuurslagen wordt vastgelegd. Ook zou die wet de beschermwaardigheid van de kern van onze publieke collecties moeten beschrijven.

Daarmee is een kader gedefinieerd waarbinnen musea zelf met elkaar hun samenwerkingsverbanden kunnen organiseren. Op die wijze kunnen verwante musea afspraken maken om hun vaak kostbare aankoopbeleid op elkaar af te stemmen, onnodige concurrentie in de tentoonstellingsprogramma's te vermijden en om kennis, kunde en collecties voor elkaar beschikbaar te stellen. Grote, middelgrote en kleinere musea kunnen zich daardoor vaker samen – en waar nodig nog steeds individueel – sterker maken naar overheden, potentiële financiers en markten, en potentiële (nieuwe) publieksgroepen.

Alle inhoudelijke keuzes die hiervoor nodig zijn, worden door en in de musea zelf gemaakt. Instellingen zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn bereid dit proces te ondersteunen. De twee museale brancheorganisaties (Vereniging Rijksgesubsidieerde Musea en Nederlandse Museumvereniging) hebben aangekondigd ten dienste van de zo noodzakelijke samenwerking een fusie met elkaar aan te gaan. De Raad voor Cultuur stelt voor dat deze nieuwe organisatie van de musea zelf een regisseursrol speelt in de noodzakelijke vernieuwingsbeweging.

Voor een dergelijke omlegging van de sturing naar het museumveld had een Raad voor Cultuur in de Sovjet-Unie echt geen medaille gekregen.

Lejo Schenk (oud-directeur Tropenmuseum) en Edwin Jacobs (directeur Centraal Museum Utrecht) zijn resp. voorzitter en lid van de commissie-Musea van de Raad voor Cultuur.