Volg het truffelvarken

Soms wordt een oude roman van een vergeten schrijver ineens een bestseller, zoals Stoner van John Williams. Uitgevers worden schatgravers, fondsen springen bij: ‘Sommige boeken hebben een nieuwe generatie nodig.’

Stoner-tafel in de Athenaeum Boekhandel in het NRC-gebouw aan het Amsterdamse Rokin. Foto Olivier Middendorp

Je kunt geen boekhandel binnenlopen of je stuit op het iconische beeld: een oude man en profil, de grijze baard, de bijna gesloten ogen, de tekening in de huid. En daarop één woord, als een gebalde vuist: Stoner. De roman van John Williams werd in 1965 nog overstemd door een kakofonie van eigentijds literair geweld, maar een halve eeuw later loopt Nederland, van hipster tot huisvrouw, weg met de levensgeschiedenis van een gefnuikte literatuurprofessor. Deze week bereikte het boek de eerste plaats van de Bestseller Top-60.

Stoner is het opmerkelijkste voorbeeld van wat je gerust een trend mag noemen: de publicatie van vergeten of niet eerder op waarde geschatte parels uit de literatuurgeschiedenis. Van, een jaar of tien geleden, Revolutionary Road van Richard Yates (1926-1992) tot een steeds snellere opeenvolging van oude nieuwe namen. Hans Keilson (1909-2011) en Hans Fallada (1893-1947) waren de ‘ontdekkingen’ van 2010, een jaar later werd Jirí Weil (1900-1959) uit de tijd opgediept. Boeken uit het vooroorlogse Duitsland en het communistische Tsjechoslowakije van 1960, die in vertaling ineens in groten getale hun weg naar de Nederlandse lezer vonden. Zegt dat iets over het moderne leespubliek, over die schrijvers of vooral over de boekenmarkt?

Oscar van Gelderen van uitgeverij Lebowski kocht de rechten van Stoner voor een schamele 2500 dollar. Inmiddels gingen meer dan 30.000 exemplaren over de toonbank.

Elke aanleiding – een recensie, een ronkende zin van Arnon Grunberg in zijn Volkskrant-column Voetnoot, een uitverkiezing tot mooiste omslag – greep Van Gelderen aan om het boek onder de aandacht te brengen. „Een boek moet in leven worden gehouden tot er tienduizend zijn verkocht, daarna treedt een autonoom proces in werking.”

Het fenomeen is niet exclusief Nederlands, integendeel. Veel literaire schatten hebben zich eerder al bewezen in heruitgaven in eigen land, zoals Ernst Weiß’ De arme verkwister, of elders, zoals romans van Fallada in Groot-Brittannië, en van Keilson in de Verenigde Staten, of Stoner in Israël, waar het boek vijftig weken op de bestsellerslijsten bivakkeerde.

Maar opmerkzaam zijn, zegt Van Gelderen, hoort óók bij uitgeven. „Ik vind het interessant te zien wat een vertaling in een kleine markt doet. Dat zegt iets over de draagkracht. Nog zo’n signaal: een bevriende uitgever bij het Amerikaanse HarperCollins vertelde me dat het boek juist door veel jonge mensen – onder wie jonge redacteuren – gelezen werd. In 1965 had Stoner niets gedaan, en ook na de heruitgave door The New York Review of Books, in 2006, bleef het rustig. Maar na 2010 zat de heruitgave in de lift. De tijd was er rijp voor.”

Bij een aantal herontdekkingen speelt het Nederlands Letterenfonds, via het zogeheten Schwob- project, een actieve rol op de achtergrond. Schwob is in 2010 opgezet om de uitgave van nooit-vertaalde meesterwerken te vergemakkelijken, en daarmee de diversiteit van het aanbod te waarborgen. Inmiddels stak het Letterenfonds via Schwob – genoemd naar de bijna vergeten Franse schrijver Marcel Schwob (1867-1905) – geld in 23 uitgaven.

Verantwoordelijk voor het project is Alexandra Koch, die zichzelf gekscherend ‘een truffelvarken’ noemt. „Wij zoeken boeken die literair van A-kwaliteit zijn, maar hier onterecht onbekend zijn gebleven. Schwob signaleert en subsidieert.” Een goed voorbeeld is Lalka (1890), van Boleslaw Prus, hét portret van Warschau in de tweede helft van de 19de eeuw. Prus is de Dickens van Centraal-Europa. „Daar kent iedereen dit boek”, zegt Koch. „Maar een vertaling in het Nederlands was te riskant. Nu zal het in 2014 verschijnen.”

Schwob-boeken zijn, anders dan Stoner, vooral klassieken uit literair minder gekende regio’s. Vaak werden ze nooit vertaald omdat ze simpelweg te dik en dus te duur zijn, zoals de onlangs vertaalde Schwob-titel Geteld, geteld (1934) van de Hongaarse graaf Miklós Bánffy. Andere werken verdwenen uit zicht omdat ze kort na verschijnen werden verboden. Om dergelijk boeken op het spoor te komen, put het Letterenfonds uit haar uitgebreide netwerk van vertalers, uitgevers, schrijvers en redacteuren. De beste aangedragen werken worden vervolgens aan lezers en potentiële Nederlandse uitgevers voorgesteld via de site schwob.nl.

De Schwob-gelden kunnen worden ingezet waar tekorten zijn: rechten, vertaalkosten, het binnen de perken houden van de winkelprijs en promotie. Dat laatste wordt steeds belangrijker, zegt Koch. „Je wilt niet dat het uitgegeven wordt om er maar te liggen. De markt is erg aan het veranderen, zeker in de vertaalde literatuur. Er zijn boeken die door iedereen gelezen worden, anderen blijven direct onder de 1.000 exemplaren steken. Het middensegment verdwijnt.”

Aanvankelijk waren uitgevers terughoudend – hoge verkoopcijfers liggen niet zomaar in het verschiet voor onbekende meesterwerken – maar inmiddels zijn er simpelweg te veel potjes en fondsen weggevallen. Het Schwob-budget staat zelf ook onder druk. In de jaren 2010-2012 was er jaarlijks nog 100.000 euro te besteden – waarvan de helft als subsidie aan uitgevers werd uitgekeerd –, in 2013 is het budget teruggelopen naar euro 45.000,– waarvan 30.000 euro beschikbaar is voor subsidie. Deze week werd bekend dat de Europese Unie 200.000 euro uittrekt voor een Schwob-samenwerkingsverband tussen literatuurfondsen uit zes verschillende landen. Ook heeft het fonds de site uitgebreid, met signalementen van andere Geheimtips.

Uitgeverij Cossee begon enkele jaren geleden met de serie Cossee Century, een uitvloeisel van de wens om boeken uit te geven, die niet speciaal honderd jaar oud hoeven te zijn, maar die het waard zijn na honderd jaar nog gelezen te worden. In 2008 werd de reeks, waarin ondermeer Robert Penn Warrens All The King’s Men, Hans Fallada’s Alleen in Berlijn en Jirí Weils Mendelssohn op het dak een plek vonden, gelanceerd. De crisis speelt geen rol bij het ontstaan van de reeks, zegt Cossee-uitgeverChristoph Buchwald. „Het enige wat ik merk is dat buitenlandse uitgevers bescheidener zijn geworden. Er worden minder hoge voorschotten gevraagd voor rechten.”

Maar Van Gelderen ziet een sterker verband. „Je hebt nu geen scout nodig die hijgerig gaat bieden op alles wat nieuw en hot is, en waarop iedereen al biedt. Als iedereen dezelfde boeken najaagt, maak je het jezelf financieel lastig. Je hebt een researcher nodig. Ga niet alleen naar de beurzen, ga eens kijken in een boekhandel als The Strand in New York. Er zijn zoveel meesterwerken die, om wat voor reden dan ook, nooit het succes hebben gekend dat er wel in zit. Dat heb ik wel geleerd van auteurs als David Sedaris en Niccolò Ammaniti, die eerst flopten en waarvoor ik later de juiste formule vond.”

Cossee scoorde de grootste successen met Fallada (26.000 exemplaren) en Weil (12.000 exemplaren), waarbij vooral die laatste Buchwald verbaasde. „Het is geen gemakkelijke literatuur; toch is het boek dankzij mond-tot-mond-reclame goed gaan verkopen.” Stoner heeft hij ook in handen gehad en in een vakantiekoffer gestopt. Met een milde glimlach: „Maar daar is het toen bij gebleven. Tja, kan gebeuren.”

Alleen in Berlijn was in Groot-Brittannië, dankzij de vertaling van Penguin, al een succes, maar Buchwald zegt niet daarop gereageerd te hebben. „Fallada’s werk stond bij mijn grootvader in de boekenkast. Hij kende Fallada, die hij een groot schrijver, maar een onbetrouwbare man vond. Ik had zijn werk veertig jaar terug al gelezen en was benieuwd: wat blijft er na al die tijd over?

Alleen in Berlijn heb ik, nog voor de Penguin-uitgave, herlezen in een vergeelde DDR-editie. Wat was zo fascinerend aan dat boek? Een vriend bij Penguin verwoordde het treffend: ‘It gives a completely different view of the Krauts.’ Ik ben altijd heel voorzichtig met werk uit mijn vaderland, maar hier dacht ik: ja, de tijd is rijp voor de nuances van dit boek, en voor Fallada’s filmische en journalistieke blik. Precies waar indertijd in eigen land veel kritiek op was geweest.”

Voor Buchwald schuilt daarin de gemene deler van de herontdekking. „Goede schrijvers zijn hun tijd soms decennia vooruit – ze kunnen gedachten en gevoelens aanraken waar anderen nog niet klaar voor zijn. Een essentie, die we pas met de afstand van jaren werkelijk herkennen. Veel herontdekte boeken waren bij eerste publicatie te vroeg, zoals Wij wonderkinderen van Hugo Hartung, dat in de jaren zestig in Nederland verscheen met de oorspronkelijke Duitse titel Wir Wunderkinder en hier volledig onopgemerkt bleef. Zulke boeken hebben een andere tijd en een andere generatie nodig.’’

De komende jaren zullen tientallen vergeten meesterwerken de boekhandel bereiken, van een Schwob-titel als Yusuf Atilgans existentiële roman Aylak Adam / De Lanterfanter (1959) tot een heruitgave van Rode Orm (1941-1945), de avontuurlijke Vikingroman van Frans Gunnar Bengtsson. Opmerkelijk is het verhaal van Het fantoom van Alexander Wolf (1947) van Gajto Gazdanov. Want wat gebeurt er wanneer twee schatgravers langs verschillende wegen hetzelfde boek in handen krijgen?

Buchwald werd getipt door een vroegere buurvrouw, de Duitse vertaalster van het boek, en ontdekte dat er geen erven of copyright-houders bekend waren. Van Gelderen werd door een buitenlandse uitgever getipt en ondernam een vruchteloze zoektocht naar rechthebbenden.

Beiden raakten ervan overtuigd dat ze, nu de rechten vrij waren, het boek konden gaan vertalen. Buchwald informeerde nog bij een aantal collega’s („the usual suspects”) of ze al bezig waren met Gazdanov, maar dacht niet aan Lebowski. Van Gelderen had al een vertaling in gang gezet, waarna hij zijn ontdekking wereldkundig maakte. Buchwald: „Er is dan nog een handvol opties. Kijken wie het eerst is, maar dat wordt een bloedbad, en de markt is al lastig genoeg. Of een van tweeën trekt zich terug. Maar als je van zo’n boek houdt, doe je dat niet. Dus hebben we besloten het samen te doen.”

De uitgevers hebben redactie, promotie en verkoop onderling verdeeld, en zullen op beurzen en festivals gezamenlijk optrekken. Het laat zien – of dat nu door de crisis komt, of niet – dat het verstand in de vaak van kinnesinne overlopende boekenwereld kan zegevieren. De klassieker gaat voor het ego; schatgraven als teamsport. Maar het verraadt ook een deel van de aantrekkingskracht van de vergeten klassieker: niet alleen het boek zelf, maar ook het verhaal, ja, de mythologie rónd het boek. Steeds beter weten uitgevers dat, vaak mediagenieke, verhaal te vertellen.