Recht doen aan de gewone mens

Een postuum vriendenboek over de zwaar gereformeerde historicus A. Th. van Deursen laat het geheim van zijn fonkelend moderne vertelstijl intact.

A.Th. van Deursen in 1997 Foto Harry Meijer/ Hollandse Hoogte

Dorp in de polder. Graft in de zeventiende eeuw van A.Th. van Deursen is een van de onbetwiste meesterwerken uit de Nederlandse geschiedschrijving. Bij verschijnen was de auteur 63 jaar oud, gerespecteerd hoogleraar aan de Vrije Universiteit, maar bij het grotere publiek nog nauwelijks bekend. Op de presentatie in november 1994 in het raadhuisje van Graft kwam slechts één spontane belangstellende af. Verder was zijn redacteur er, de auteur met zijn vrouw, en de Groningse hoogleraar E.H. Kossmann, die het boek in ontvangst nam.

Kossmann had een uitgebreid betoog voorbereid dat hij toch maar helemaal voorlas. Daarna liep de ceremonie snel ten einde. Van Deursen zou kort iets teruggemompeld hebben, sloeg een uitnodiging om nog iets te gaan eten af, en nam de bus terug naar zijn woonplaats Bloemendaal.

Het verhaal is van de zesde aanwezige in Graft, Van Deursens uitgever Mai Spijkers, in een van de ruim dertig bijdragen aan Een gereformeerde jongen. Arie Theodorus van Deursen (1931-2011). Dit postume vriendenboek bevat veel biografische informatie, naast aanzetten tot het duiden van het belang van Van Deursens werk voor de Nederlandse geschiedschrijving, telkens in artikelen van zes à acht bladzijden. In veel van die bijdragen leren we Van Deursen kennen in zijn afkeer van sociale plichtplegingen. Vooral geen nodeloos gebabbel. Van Deursen was voor studenten letterlijk nauwelijks benaderbaar. Voor zijn hoorcolleges kwam hij stelselmatig vijf minuten te laat, maar hield precies op tijd op. Terwijl hij zijn laatste woorden uitsprak, liep hij al naar de deur en een seconde later was hij verdwenen.

Van Deursen was een gevraagd bestuurder. Dat had hij meer te danken aan zijn wetenschappelijke reputatie dan aan zijn bestuurlijke capaciteiten. Hij droeg weinig bij, zat tijdens vergaderingen vaak wat anders te doen, en zodra de vergadering afgelopen was, ging hij ervandoor. Terug naar de werkkamer, of naar het archief. Want daar hoorde een historicus thuis. Een medewerker die van plan was een belangrijk congres te bezoeken kreeg te horen: ‘Waarom gaat u daarheen, u kunt het toch later nalezen?’ Netwerken kwam in zijn woordenboek niet voor. Voor zijn medewerkers was zijn stugheid soms moeilijk te verdragen. Promovendi kregen amper begeleiding. De verplichte periodieke gesprekjes verliepen met een ‘ja, ja, mmm’ en een enkele suggestieve vraag van de kant van Van Deursen. Niet iedereen was daar tegen opgewassen. Nogal wat proefschriften bleven onvoltooid, of kwamen pas na twintig jaar gereed.

Brille

Maar Van Deursen werd en wordt veel vergeven. In Een gereformeerde jongen worden niet alleen herinneringen opgehaald, maar wordt ook geprobeerd het geheim van de trefzekere historicus te ontrafelen. Want over een paar dingen zijn vriend en vijand het eens: hij was als geen ander thuis in de Nederlandse 17de eeuw en kon er prachtig over schrijven: heel precies en met die typische dwingende logica, die zijn handelsmerk werd.

Van Deursen begon zijn loopbaan met het uitgeven en samenvatten van de besluiten van de Staten-Generaal vanaf 1610. Hij las alle mogelijke bijkomende archivalia, en ‘kroop’ zo de jaren door, ‘alsof ik er zelf bij was geweest’. Zo hoopte hij zijn pensioen te halen. Maar na tien jaar werd hij in 1967 uit het archief weggelokt door de Vrije Universiteit. Hij kon er lector worden, met het vooruitzicht van het hoogleraarschap Algemene Geschiedenis na 1500. De jaren in het archief leverden nu rendement op. Hij publiceerde in 1974 Bavianen en slijkgeuzen over de bestandstwisten, een boek dat fonkelde van de details over de strijd tussen remonstranten en contraremonstranten, die in de jaren na 1609 het kookpunt bereikte.

In dit boek openbaart zich al het bijzondere van Van Deursens aanpak. Hij richt zijn aandacht vooral op gewone mensen, hun overtuigingen, gewoonten, zorgen en frustraties. Het alledaagse leven kreeg in die jaren nog nauwelijks aandacht van historici. Van Deursen beschikte inmiddels over kaartenbakken vol detailinformatie. Die werden de basis van Het kopergeld van de Gouden Eeuw, dat in vier bescheiden deeltjes uitkwam tussen 1978 en 1980.

Collega’s en studenten genoten van zijn bondige, glasheldere beschrijvingen. Een schrijver was geboren. Toch duurde het nog vijftien jaar voordat Van Deursen met Een dorp in de polder doorbrak als publieksauteur. Vanaf dat moment bleven de boeken gestaag komen. Van Deursen kon eindeloos putten uit zijn enorme detailkennis. Maurits’ biografie De winnaar die faalde (2000), had hij binnen een jaar klaar. Het overzichtswerk De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland, 1555-1702, (2004) schreef hij zo goed als uit het hoofd.

Van Deursen was van huis uit recht in de gereformeerde leer. Hij maakte er geen geheim van dat de geschiedenis van de door het protestantisme gedomineerde Nederlandse samenleving het beste door belijdende calvinisten geschreven kon worden. Dit zat ook in zijn houding als historicus: hij wilde in de eerste plaats recht doen aan de doden en daarvoor was verwantschap in opvattingen bijna onontbeerlijk. Willem Frijhoff, Van Deursens opvolger aan de VU, laat in een opvallend scherp getoonzet betoog zien, dat een calvinistische bril alles calvinistisch doet kleuren, ook dat wat helemaal niet calvinistisch is. Het was een uitkomst dat Van Deursen in zijn laatste jaren zijn tanden kon zetten in de recente geschiedenis van Katwijk, waar zo goed als alles calvinistisch is.

Fundamentalist

Met het rijzen van zijn ster raakte Van Deursen steeds meer omstreden, ook in eigen kring. Toen Van Deursen in 2005 in het door hem geschreven gedenkboek van 125 jaar Vrije Universiteit de laatste generaties bestuurders verweet de uitgangspunten van oprichter Kuyper te hebben verkwanseld, werd hij alsnog uit het feestprogramma geschrapt. Het universiteitsblad Ad Valvas maakte hem zelfs voor fundamentalist uit.

De soms bizarre consequenties van Van Deursens onwrikbare orthodoxie is de hoofdkwestie in veel bijdragen in Een gereformeerde jongen. Er zit dan ook nogal wat overlap in de bundel. Minder stukken en meer diepgang hadden Van Deursen beter recht kunnen doen. De bijdragen van Gerrit Schutte, Henk Wesseling, Simon Groenveld, Koen Goudriaan, George Harinck, en de al genoemde Frijhoff, bevatten goede aanzetten tot de verklaring van het fenomeen Van Deursen.

Nogal wat bijdragen uit met name de bevindelijke hoek zijn geschreven in een gereformeerde geheimtaal die voor niet-gereformeerden (veelal met ‘liberalen’ aangeduid) nauwelijks te volgen is. De liberale lezer zal met enig deduceren vaststellen dat Van Deursen wel recht in de leer was, maar ondertussen vier keer van kerkgenootschap veranderde. Zijn laatste jaren sleet hij in Katwijk, en hij ging daar zelfs over naar de Nederlands Hervormde Kerk, maar die is daar ook ‘zeker orthodox’, zo garandeert burgemeester Jos Wienen.