‘Mijn boek is donker, niet zwaar’

Kristien Dieltiens kreeg de Woutertje Pieterse Prijs voor haar jeugdboek Kelderkind, waarin de raadselachtige Kaspar Hauser de hoofdpersoon is. ‘Ik begrijp mijn personages.’

‘Ik houd van antihelden’ Foto Wouter van Vooren

De geur van koffie of alcohol verdroeg hij niet. Kaspar Hauser had er nooit aan kunnen wennen, voor hij er op z’n zestiende mee geconfronteerd werd. Tot die tijd leefde hij in een kelder, op water en brood. Op Pinkstermaandag 1828 kwam de jongen voor het eerst onder de mensen, op een plein in het Duitse Neurenberg. Hij liep moeilijk – ook dat had hij nooit geleerd. Hij kon zijn naam schrijven, en herhaalde telkens het zinnetje dat hij ruiter wilde worden. Wie hij was en waar hij vandaan kwam was een raadsel.

Kaspar Hauser groeide uit tot hét raadsel van zijn tijd. Sommigen noemden hem een aandachtszieke bedrieger, anderen – en dat is de spannende versie – hielden hem voor een telg uit het vorstengeslacht van Baden. Een complot hield hem opgesloten om hem als troonopvolger uit te schakelen. „Je hebt in het verhaal van Kaspar Hauser believers en non-believers,” zegt Kristien Dieltiens, die gisteren de Woutertje Pieterse Prijs kreeg voor haar jeugdboek Kelderkind. In het boek staat de historische figuur Hauser centraal. „Voor mij ging het niet om geloof in het ene of het andere. Ik vroeg me af welke waarheid ik zou kunnen destilleren uit de feiten. Dat ik zo alleen mijn persoonlijke waarheid zou vinden, stond daarmee al vast. Als je maar genoeg je eigen gedachten erop projecteert, vind je in alle feiten je eigen waarheid. De verschillen daarin vind ik boeiend aan mensen.”

Kristien Dieltiens (1954) is als schrijver „een laatbloeier”, zegt ze in de sfeervolle oude boerderij op het platteland tussen Gent en Brugge. In 1997 debuteerde ze met het prentenboek De gouden bal. „Ik schreef al, maar niets in mij zei dat ik ermee naar buiten moest treden, ik las mijn verhalen hoogstens voor aan mijn kinderen. Ik ben eigenlijk tekenaar en heb 35 jaar voor de klas gestaan, ik gaf kunstzinnige vakken en cultuurbeschouwing. En ik was zorgleerkracht voor de lagere klassen van de basisschool, waardoor ik jarenlang heb kunnen invoelen wat kinderen beweegt en bezighoudt.”

Kelderkind is haar vijftigste kinderboek. Het is ook haar dikste – al komt dat ook deels doordat de uitgever veel ruimte tussen de regels wilde laten, „zodat er geen zinnen worden overgeslagen”. De jury van de Woutertje Pieterse Prijs, dat met een prijzengeld van 15.000 euro de grootste Nederlandse onderscheiding is voor een jeugdboek, noemt het ‘een geraffineerd kunstwerk’ dat ‘dapper’ is en ‘ambitieus en misschien zelfs een beetje pretentieus, maar het maakt de pretenties waar’.

Kelderkind draagt een motto van de Duitse filosoof Hegel: ‘Er bestaat geen echte waarheid, maar wel een waarheid die steeds dieper en rijper wordt.’ Was dat uw uitgangspunt voor uw boek rond de figuur Kaspar Hauser?

„Ik ben al heel lang gefascineerd door Kaspar Hauser – dat was het uitgangspunt. Toen ik in verwachting was van mijn eerste zoon, in 1979, zag ik de film Jeder für sich und Gott gegen alle van Werner Herzog, en toen ik mijn tweede zoon kreeg las ik de biografie Kaspar Hauser van Hans Peter van Manen. Beide gaan over Kaspar en in beide gevallen werd ik diep geraakt door hem en door de macht die iemand heeft uitgeoefend op hem. Dat iemand de kinderlijke onschuld van die jongen helemaal wilde vernietigen, dat vond ik zó frapperend. En eind jaren negentig kregen we nog de schok van Marc Dutroux. Toen besloot ik dat ik ooit over kelderkinderen zou schrijven.”

Dan duurde het toch nog lang.

„Ik heb het voor me uitgeschoven. Dit verhaal voelde als een mijnenveld, omdat het deels een historisch gekende situatie zou zijn: bijna alle figuren in Kaspars verhaal in Kelderkind hebben bestaan. Mijn eigen verhaal vertellen betekende slalomlopen tussen mijnen die zouden ontploffen als ik een fout zou maken. Ik heb acht jaar research gedaan voor ik redelijk boven de materie stond.”

Dat lijkt paradoxaal: u trof voorbereidingen om geen historische fouten te maken, maar u verzint vervolgens wel intriges die historisch incorrect zijn.

„‘Het mysterie maakt de mens,’ zei Italo Calvino. Over Kaspar Hauser weet men heel veel niet, en dat gaf mij vrijheid. Ik moest weten wat ik zeker kon weten en heb me daaraan gehouden. Kaspar heeft een dagboek geschreven dat nooit is teruggevonden – dat heb ik ingevuld met mijn verbeelding. Ik wilde hem gevoelens en een stem geven. Een tweede feit is dat hij vermoord is en de dader nooit is gevonden. Daarmee kon ik een eigen verhaal uitdenken. Als romanschrijver heb ik een ander doel dan historisch correct te zijn. In de eerste plaats wil ik met de taal spelen, mooie zinnen schrijven, beelden gebruiken, mijn zintuigen aanscherpen.”

Uw research heeft dus vooral geleid tot het zelfvertrouwen om iets te kunnen verzinnen?

„Dat niet alleen. Ik ben ook naar Beieren gegaan, naar de plaats waar Kaspar is vermoord. Ik heb er de kleren gezien waarin hij gestorven is: in de dode kledingstukken voelde ik de levende mens. En het was leerzaam om de mensen daar te ontmoeten. Ik vond de mensen gesloten, terughoudend. Je krijgt er grote borden met eten, zo’n berg aardappelen met een schnitzel erbij, maar ik bleef met een andere honger zitten.

„Misschien maak ik mezelf dat wijs, hoor. Het past namelijk wel bij de dogmatische types die Kaspar Hauser omringd hebben. Hij probeerde in pleeggezinnen zijn eigen keuzes te maken, maar werd dan weggezet als ondankbaar. Vanaf het moment dat hij zijn persoonlijkheid wilde laten gelden, werd hem de mond gesnoerd.”

Het verhaal van Kaspar is in Kelderkind verweven met het fictieve verhaal van Manfred, een man met een hazenlip die het leven van een verstotene leidt. Waarom die figuur?

„Ik houd wel van antihelden, van jonge mensen die tegen de stroom in moeten varen. Kaspar zou rustig zijn plaats moeten vinden in de wereld, maar krijgt daartoe geen kans: iedereen maakt keuzes voor hem. Manfred is er juist van overtuigd dat hij helemaal geen keuzes heeft, vanwege zijn lelijkheid, maar met die gedachte zet hij zichzelf ook gevangen. Natuurlijk was het in zijn tijd niet gemakkelijk, maar hij stelt zich defaitistisch op. Ik vond het boeiend om die verschillende soorten kelderkinderen tegenover elkaar te zetten. De twee zijn verweven: wat de één niet heeft, heeft de ander te veel.”

Het zijn tragische verhalen.

„Ja. Kaspar Hauser was eigenlijk een heel gewone jongen, als hij gewoon had mogen zijn. Hij moest de ontwikkeling waarover een normaal kind vijftien jaar doet in één jaar doorlopen. En zijn eenzame opsluiting maakte hem hypersensitief – het moet ongelooflijk pijnlijk zijn geweest. Maar het is een donker boek, maar geen zwaar boek. Toch? Het moest wel donker zijn, vanwege de tragiek in het verhaal van Kaspar. Maar ik hoop toch ook dat mijn grote liefde voor de mens voelbaar is in Kelderkind. Mijn grote liefde voor de kwetsbare mens…”

U laat kwetsbare mensen vreselijk lijden. De stiefvader van Manfred zet u zonder meer neer als een harteloze man die geheel leeft naar strenge christelijke dogma’s…

„Hij was een product van zijn tijd. Hij gold als een degelijke man.”

Verdedigt u hem nu?

„Ik veroordeel mijn personages niet. Ik begrijp hen, ik voel hun beweegredenen. Ik ben mij altijd klein blijven voelen. Daardoor vroeg ik me aanvankelijk ook af of een ander boek die Woutertje Pieterse Prijs niet veel méér verdiende. De positieve kant eraan is dat ik me openstel voor de persoonlijke waarheden van anderen. Manfred doet slechte dingen, maar hoe onmenselijk hij ook mag zijn: hij is egocentrisch, niet puur slecht. Hij doet goed werk als paardenverzorger. Hij heeft ook ooit geluk gekend. Dat blijft als goudbezinksel in hem achter.”

Kristien Dieltiens: Kelderkind. De Eenhoorn, 479 blz. € 22,95. 15+