Mán

Eindelijk, het was mooi weer. Een jonge vrouw kwam aan bij het terrasje, waar een vriendin van haar al zat. „Lekkerlekkerlekker!” riep ze al van verre. „Zoooo lekker”, antwoordde de vriendin, „ik dacht echt van mán ik ga gewoon met mijn reet op een terras zitten.” Aldus was blijkbaar geschied.

Het klonk een beetje vies. Alsof de reet direct geparkeerd was op de stenen van het terras. Zonder broek ertussen. (Bij reet moet ik trouwens altijd denken aan ‘reetveter’, wat ‘reet’ nog viezer maakt.)

Maar nu even over dat ‘man’. Vroeger werd ‘man’ gebruikt als aanspreekvorm. Meestal voor mannen, maar soms ook voor vrouwen: „Hé man, doe even normaal.” Zo wordt het nog steeds gebruikt, maar sinds pakweg tien jaar is ‘man’ ook in zwang geraakt als algemene aanroep, vergelijkbaar met ‘god’. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: „Mán, wat heerlijk.” Je kunt ook zeggen: „Gód, wat heerlijk.” En dat betekent dan min of meer hetzelfde; man en god zijn gelijkgeschakeld en dat leek me voor Internationale Vrouwendag wel een mooie observatie.

Overigens zeggen mannen minder vaak ‘man’ tegen elkaar. Of liever: ze hebben hun repertoire uitgebreid. Je hoort vrij normale mannen van in de twintig en dertig elkaar aanspreken met ‘gast’. ‘Dude’ hoor ik ook. En je denkt nu nog: „Wow, best cool, op een bepaalde manier.” Maar als deze jongens/mannen vijftig zijn, zeggen ze het misschien wel nog steeds. En dan is ‘gast’ hetzelfde geworden als wat ‘kerel’ nu is. En krijgen we bij ‘dude’ hetzelfde muffe gevoel als we nu bij ‘vrind’ krijgen. Dat is niet anders. Dat is vergankelijkheid.

En dan de jonge vrouwen op het terras die de lente aan het vieren zijn. Waarschijnlijk maken ze carrière en zeggen ze over dertig jaar tegen elkaar. „Ik dacht van mán ik ga met mijn reet in die raad van bestuur zitten. En daar krijgen ze me voorlopig niet meer weg.”

Het is lente. Maar het wordt weer herfst.

Paulien Cornelisse schrijft iedere vrijdag op deze plek over taal