Het orkest is oud, de musici zijn jong

Het Koninklijk Concertgebouworkest bestaat dit jaar 125 jaar Maar als je naar het podium kijkt, zie je helemaal geen oud orkest Het orkest wordt juist jonger, en internationaler

Redacteur klassieke muziek

Ze combineren tournees van hun orkest met duikvakanties, gaan in Beijing op jacht naar nep-Rolexen. Of ze sluiten zich juist extra fanatiek op in hun hotelkamer om te studeren. „De jongeren zijn accuraat en studeren zich rot, de ouderen studeren minder, maar compenseren dat met visie en ervaring”, vat tweede fluitiste Julie Moulin (26) samen.

De reputatie van het orkest is koninklijk en ‘gearriveerd’, maar onder de 113 musici van het Koninklijk Concertgebouworkest zijn veel twintigers en dertigers.

Moulin, Française, begon in de KCO-academie, een interne kweekvijver waar meespelen wordt gecombineerd met mentorbegeleiding door een orkestmusicus en, onder meer, workshops ‘Mental Training’ door een coach die ook topsporters onder zijn hoede heeft. Maar al na twee maanden was er proefspel voor de plaats van tweede fluitist. Julie Moulin speelde voor en werd aangenomen als ‘echt’ lid van het KCO, zoals het Koninklijk Concertgebouworkest vaak wordt genoemd. „Zonder dat opstapje via de academie had ik nooit durven auditeren”, zegt ze. „De nacht voordat ik voor het eerst zou meespelen, heb ik er niet van geslapen; ik had überhaupt nauwelijks orkestervaring. Maar het KCO is warm in het verwelkomen van nieuwe musici.”

„Toen ik voor het eerst in de houtblazerskamer kwam, werd ik begroet!”, knikt de nieuwe Belgische contrafagottist Simon Van Holen (27, sinds vijf maanden in het orkest). Het normale welkomstritueel is bits en argwanend uithoren. „Wie ben je? Wat kan je? Waar kom je vandaan? Dat soort vragen. Maar hier voelde ik me meteen opgenomen. In het begin was ik wel voorzichtig in mijn spel. Maar de collega’s zeiden: hup, geef ze van katoen, speel gewoon lekker.”

Groepjesvorming

De jonge garde KCO-musici is internationaler dan ooit. 25 jaar geleden zaten er 19 buitenlanders in het orkest, nu zijn dat er 50, met 20 verschillende nationaliteiten. „In de communicatie merk je dat”, zegt trombonist Martin Schippers (30). „Het heeft geleid tot wat meer groepjesvorming”, beaamt zijn collega, solotrombonist Bart Claessens (30). Fluitiste Julie Moulin: „Zeker in het begin trok ik erg naar mijn landgenoten, cellist Jérôme Fruchart en contrabassist Olivier Thiery, beiden ook jong en ook nieuw bij het orkest. Maar dat verandert vanzelf.”

Een belangrijker ontwikkeling dan de internationalisering, vindt trombonist Bart Claessens, is „dat de nieuwe mensen allemaal ontzettend ambitieus zijn”. Er zijn er velen bij, zoals de 34-jarige solohoboïst Lucas Macias Navarro, die voor minstens het dubbele salaris bij orkesten elders terecht zouden kunnen. Maar zij kiezen bewust voor het KCO, „om de klank en de speelwijze”.

Zo ook de nieuwe Duits-Italiaanse solotrompettist Giuliano Sommerhalder (27), tot voor kort werkzaam in het Gewandhausorchester Leipzig. Motief voor zijn ‘transfer’: frustratie. „Er werd in Leipzig wel ellenlang gerepeteerd voor elke opera, maar iedereen ging pas tegen de première een beetje opletten.” Hij trekt de schouders op. „Als je je als enige serieus voorbereidt, werkt dat niet echt motiverend.”

Het Concertgebouworkest ervaart hij tegenovergesteld. Relatief weinig repetities, veel spelen, meteen op niveau. „Elke seconde is een investering in je groei als musicus.”

Hoge werkdruk, een hoog ‘instapniveau’ tijdens repetities; het zijn observaties die allen ter sprake brengen. „Als ik mijn rooster vergelijk met dat van mijn vriendin in het Orchestre National de France is hun werkweek een lachertje”, zegt Julie Moulin. „Toch benijd ik haar niet. Een concert maar één keer spelen, zoals daar gebruikelijk, lijkt me stomvervelend. Je krijgt geen enkele kans je in zo’n programma te verbeteren.”

Trombonist Martin Schippers moest na zijn zeven ervaringsjaren in het Radio Filharmonisch Orkest „wel even schakelen, qua niveau”, zegt hij. Eerste violist Marc Daniel van Biemen (26), opgeleid als solist, moet ook nog wennen aan de intensiteit van zijn orkestwerkweken. „Bij de Berliner Philharmoniker hebben alle musici contracten voor 65 procent. Dan houd je wel meer tijd over voor kamermuziek maken en andere activiteiten.”

De komst van zoveel nieuwe musici heeft het orkest ingrijpend veranderd, hoor je vaak. Claessens, zelf al sinds zijn 19de vast in het orkest, onderschrijft die indruk. „De totaalklank is minder herkenbaar geworden. Maar de solisten juist herkenbaarder. Het is een verschil in aard, niet in niveau.”

Slagwerker Mark Braafhart (30): „Het technisch niveau is verbeterd. Mensen praten makkelijk over ‘traditie’, maar het is een ontzettend ingewikkeld onderwerp. Zeggen wij dan over 25 jaar weer: dit is de klank en voeg je maar in?”

Martin Schippers: „Precies, wat betekent die ‘KCO-klanktraditie’? Onze spelmentaliteit is dezelfde gebleven, maar ons instrumentarium is ook totaal veranderd. Verbeterd.”

Claessens: „Ik zeg: voeg je in de ontwikkeling van het orkest. Niet in de traditie.”

Stiekem auditeren

Eerste violist Michael Waterman (29) is een zeldzaam geval van traditionele ‘eigen kweek’. Als er al sprake is van een KCO-traditie, dan zit die bij Waterman in zijn nature en zijn nurture. Zijn vader Robert Waterman en zijn moeder Cleora Waterman-Keeler speelden decennialang viool in het orkest. Michael zelf wist al als tiener zeker dat hij ook bij het orkest wilde. Op zijn 26ste kwam hij vast in het orkest, nu hoopt hij daar tot zijn pensioen te blijven.

Waterman werd KCO-lid op eigen kracht; voor nepotisme – door familie of leraren – laat het auditiesysteem geen ruimte. „Het auditiesysteem is volkomen eerlijk, het staat voor iedereen open”, zegt trombonist Bart Claessens. „Maar er kleven ook nadelen aan. Ik heb al veel keren in zo’n commissie gezeten en dan merk je: hoe beter de kandidaten, hoe lastiger het besluitproces. Een hele commissie raakt gemakkelijk enthousiast voor één goede kandidaat, maar zijn het er drie, dan raken de meningen verdeeld. En dan komen we er vaak niet uit, terwijl er best geschikte musici bij zaten.”

Simon van Holen deed stiekem mee aan de audities voor altfagottist. Bij het orkest van Düsseldorf zat hij nog in zijn proeftijd en eigenlijk is elders auditeren dan reden voor ontslag. Maar Van Holen werd in Amsterdam aangenomen. Hij is dolblij, zegt hij. „In Düsseldorf had ik vaak aanvaringen met mijn mentor, wiens klankvoorstelling veel kleiner en donkerder was dan de mijne. Een achtste noot was voor hem ook exact een achtste noot. Afgemeten. Het lag me totaal niet.”

Licht en luchtig

Bij het Concertgebouworkest is de traditie vooral een kwestie van luisteren, zeggen ze. Fluitiste Julie Moulin komt uit de Franse speelschool, die staat voor een slank, briljant geluid. Haar collega Emily Beynon is Engels en komt dus uit de Engelse school, de andere solofluitist Kersten McCall speelt „typisch Duits”: rond, vol en warm. „Maar ondanks al die verschillen mengt het toch”, zegt Moulin.

„Je went aan elkaar”, vindt solotrompettist Giuliano Sommerhalder. „Door goed te luisteren, ontdek je wat je aan je spel moet bijslijpen om optimaal te versmelten met de rest. Ik denk dat het selectieproces onbewust ook zo werkt dat er mensen worden aangenomen wier spel goed bij de al bestaande klankcultuur past.”

De eerste violen, zegt Michael Waterman, zoeken voortdurend naar transparantie. „Een warm en licht geluid, mooi doorvibreren en spelen met weinig snaardruk.”

Zijn collega Marc Daniel van Biemen moest wennen aan die lichte speelwijze. „Hiervoor speelde ik als student bij de Berliner, daar spelen de merendeels mannelijke violisten stevig en voluit. Hier zijn de meeste violisten vrouwen en is de speelstijl lichter en luchtiger. ‘Leidend’ spelen werkt ook niet in de akoestiek van het Concertgebouw.”

Voor Amsterdamse arrogantie is sowieso weinig ruimte. Van Biemen: „Als ik bij de Berliner Philharmoniker had gespeeld, hadden we hier nu niet zo gezellig samen gezeten. Daar kijkt een eerste violist neer op de slagwerkers en trombonisten.” „Doe maar gewoon”, zegt Martin Schippers. „Onze mentaliteit is heel Nederlands. We houden niet van haantjes.”

Julie Moulin hoopt nog lang bij het KCO te spelen. Als haar vriend hier maar een baan zou kunnen vinden. Veel spelen is leuk. Weinig tijd hebben voor familie en geliefden een last. „De hoge werkdruk is inderdaad een minpuntje van spelen in het Concertgebouworkest”, zegt Marc Daniel van Biemen. „Maar wel het enige minpuntje.”