Grafheuvels van fluweel

Het fotoboek is al een tijdje uit, maar zie je het plompverloren in de boekhandel liggen dan is de kans groot, dat je het inderdaad laat liggen. Het cijfert zichzelf weg, want de omslag is zwart en grauwgrijs, met in een zwart kader de omtrek van alweer een zwart-bruinige berg, afgezet tegen een antracietgrijze hemel.

Binnenin is het niet veel anders. Het is duisternis wat de klok slaat op 69 foto’s, afgedrukt op zwart papier. De opnamen hebben ook steeds hetzelfde onderwerp als op de cover: een roetzwarte driehoek met een vaag ‘geëtste’ structuur van begroeiing, maar zonder slagschaduwen of andere oplichtende details. En of het nog niet ernstig genoeg is: op de omslag is alleen het zilvergrijze woord ‘Cette’ leesbaar, als aanhef van de titel Cette montagne c’est moi die op band en achterkant doorloopt.

Toch is dit boek, destijds dus achtergelaten in de boekwinkel, dat op 25 februari j.l. onderscheiden is met de Gouden Medaille van de Schönste Bücher Aller Welt, een internationale versie van de Best Verzorgde Boeken alhier, waaraan 575 toezendingen uit 32 landen meedongen. Eerder werd het genomineerd voor de Paris Photo/Aperture BookAward 2012 in de categorie ‘First Photobook’.

Wat is het geval? De Nederlandse fotograaf Witho Worms (1959), die culturele antropologie in Amsterdam studeerde en audiovisueel design aan de HKU in Utrecht, maakte de afgelopen jaren reizen door België, Frankrijk, Engeland en Polen om er steenkoolbergen te ‘portretteren’. De silhouetten van de heuvels zijn vastgelegd zonder noemenswaardige omgeving en afgedrukt op gelijke grootte. Onderlinge verschillen tekenen zich alleen af in de meer of minder grillige contouren, in pluizige berkenboompjes en in zilvergrijze flarden daar waar de hellingen licht gesteente dragen. Er zoeft in het avondlicht wel eens een nevel voorbij, er liggen wat sneeuwsporen, of is het de regen? De bergen in de Borinage of het Ruhrgebied hebben veel gemeen, die in Wales lijken groter en kaler.

In zo’n boek heeft de verbeelding vrij spel. Er zijn gedachten aan heilige bergen, pelgrimsoorden, grafheuvels, prehistorische schuilplaatsen, maar daar mag het hier niet om gaan. Wat er toe doet is dat Witho Worms steeds ter plekke een achtergelaten steenkooltje in zijn zak stak en dat vermaalde tot pigment om er fotografisch papier van te maken. Zo ontstond naar een 19de-eeuws fotografisch procedé, een nieuwsoortige ‘kooldruk’.

Die methode mag dan ‘zeer geschikt zijn om donkere tonen te reproduceren’, aldus Worms, zou je zijn foto’s in hun bescheiden formaat aan de wand zien hangen, dan dreigt een onmiddellijk schouderophalen, want zoveel valt er voor kijkers zonder mijnwerkers in de familie niet te beleven aan die steenmassa’s.

Vanwaar dan toch die Duitse onderscheiding? Die komt voor een aanzienlijk deel voor rekening van Hans Gremmen. Hij maakte van het boek een grafisch en druktechnisch hoogstandje. Hij wilde Worms’ bergen ‘uit het papier laten opkomen’, vertelt hij op een site. En dat lukte onder meer door ‘met twee soorten wit te drukken’ [..] ‘Al het zwart wat je ziet, is de kleur van het papier.’ [...] ‘Het object van foto, de berg, valt samen met het subject van de foto, de druk’.

Gremmen koos ook voor een licht fluwelige papiersoort en voor het Japanse bindwerk van steeds dubbelgevouwen pagina’s, zodat een deel van een vorige foto doorloopt naar de volgende bladzijde, als één lange bergketen, met lineaire scheidslijnen weliswaar.

Toch is Cette montagne c’est moi voor fotograaf Worms ook een statement, zo lees je achterin. De bergen verwijzen onder meer naar armoede, naar de westerse dominantie in de wereldeconomie en naar een nagenoeg failliet kapitalistisch systeem. Zijn steenkoolhopen ‘hebben zich verenigd tot het eerste pan-Europese postindustriële cultuurlandschap.’ En, vergeet niet, de zware industrieën van toen liggen ten grondslag aan de Europese Unie van nu, die gebouwd is op Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1951-2002). ‘Ik fotografeer een tweedehands landschap met een gerecyclede betekenis dat de actuele stand van zaken laat zien in West-Europa’.

Dat laatste is mij te gezocht, te symbolisch en te naargeestig. Laten we het erop houden dat dit boek een grondig doordacht, fotografisch en druktechnisch experiment is, een boekobject, waarvan de duistere inhoud ook herinnert aan de stoflongen van de koppels, en, niet te vergeten, hun ondergrondse kameraadschap.

De steenkool lijkt letterlijk te zijn neergeslagen op de pagina’s, net als de rook en de vervuiling, al was er niemand die zich in de hoogtijdagen van deze industrie echt bekommerde om dit soort klimatologische issues. Vooruitgang voor alles! En wij willen warmte!

Dat diezelfde steenkoolruïnes in België, Frankrijk en Duitsland zijn omgetoverd in nieuwe natuur en parken, met fiets- en wandelpaden, met een theater en skipiste, wil je graag nog eens in een volgend bergenboek met eigen ogen kunnen zien.