Europa weet geen raad met China

China maakt enorme sprongen voorwaarts. Toch wordt het land met de nek bekeken. Europa voelt zich superieur en koestert vooroordelen. Is die achterdocht terecht? En hoe nu verder?

Themapark ‘De wereld’ in Shenzen Foto Magnum

Hoe kan China meer vrienden maken? Geen dag gaat voorbij of in de Chinese media wordt op zorgelijke toon gediscussieerd over de vraag waarom China in de wereld zo weinig echte en zoveel oppervlakkige, opportunistische vriendschappen heeft. Het steeds machtigere, rijkere en assertievere land wordt geconfronteerd met meer en meer vooroordelen, angsten en wantrouwen. Hechte allianties smeden gaat het moeilijk af.

Van de Verenigde Staten verwachten Chinese leiders en intellectuelen weinig tot niets, want de Amerikanen worden – vanuit Chinees perspectief niet onbegrijpelijk – gezien als permanente tegenstrevers. Met Rusland worden binnenkort nieuwe pogingen ondernomen om tot een politiek en misschien zelfs wel militair partnerschap te komen. En als dat lukt dan kan er inderdaad gesproken worden over een herschikking van de wereldorde.

Maar het meest verbazen Chinese leiders en intellectuelen zich over de houding van Europa, dat volgens Volkskrant-redacteur Fokke Obbema in de omgang met China gehinderd wordt door superioriteitsgevoelens, misplaatste trots, onwetendheid en vooroordelen. Europa wekt verbazing bij de denktanks en op de topuniversiteiten van Beijing en Shanghai. Zo citeert Obbema althans in zijn goed getimede boek China en Europa met instemming China-watchers als Martin Jacques, Helmut Schmidt en vele Chinese analisten.

In China en Europa, een mengvorm van journalistieke reportages, interviews met verstandige denkers en analyses, stelt Obbema vast dat China inderdaad nog steeds met de nek wordt aangekeken omdat de tweede economie van de wereld geen democratie is, de aarde vervuilt en de mensenrechten schendt.

Voor het feit dat zich in China een van de grootste omwentelingen in de geschiedenis voltrekt en dat geen land ter wereld zo’n grote bijdrage aan de bestrijding van de armoede levert, hebben Europeanen in het algemeen weinig oog. Het klopt, stelt Obbema gemotiveerd vast, dat de intellectuele belangstelling voor China gering is.

Dat is trouwens wel aan het veranderen, want het zijn niet langer kleine groepjes sinologen die zich met China bezighouden. Europese zakenlieden, onder wie een groeiend legertje Nederlanders, weten de weg goed te vinden, gevolgd door wetenschappers, studenten en toeristen. En laten we de jonge, vaak dappere Nederlanders, Fransen, Spanjaarden en Grieken niet vergeten die, kansloos in hun moederlanden, in China aan de slag proberen te komen.

Buikgevoelens

Obbema biedt twee verklaringen voor het feit dat in Europa nuchtere, realistische analyses over China worden verdrongen door onderbuikgevoelens. Europese politici hebben het eenvoudigweg te druk met hun eigen besognes, net zoals de Chinese leiders ook het grootste deel van hun tijd bezig zijn met de gebeurtenissen van de dag. ‘Events, dear boy’, antwoordde een Brits politicus op de vraag waar hij de meeste tijd aan kwijt was.

Obbema legt de verantwoordelijkheid voor dat beperkte, eenzijdige beeld van China ook bij de media, die volgens hem blijven steken in vooroordelen bevestigende berichtgeving. Voorbeelden te over, variërend van het in christelijke ogen zo verdorven één-kind-beleid, de problemen van dissidenten en de Chinese cyberspionage, die zich overigens in niets onderscheidt van de Amerikaanse of de Israëlische hackersactiviteiten.

In het algemeen blijven kranten en televisie, uitzonderingen als The Financial Times en Die Frankfurter Allgemeine daargelaten, vaak steken in morele verontwaardiging en verdiepen journalisten zich niet wezenlijk in de Chinese discussies. Obbema komt met enkele rake voorbeelden, zoals de hypes over de Chinezen die Franse wijnhuizen, Griekse havens en Italiaanse dorpen opkopen. Broodnuchter stelt de voormalige Frankrijkcorrespondent van de Volkskrant vast dat er nog geen groot Frans wijnhuis in Chinese handen is gekomen en dat Chinezen in de streken van Bordeaux en de Rhône graag geziene investeerders en klanten zijn.

Van het ‘opkopen van Europa’ is geen sprake, ook niet van de Rotterdamse haven. Je zou bijna zeggen ‘helaas’, want de EU kan een financiële injectie van kapitaalkrachtige Chinese (staats)bedrijven en particuliere investeerders goed gebruiken. Obbema stelt vast dat de Chinese investeringen in Europa (westelijk Rusland even niet meegerekend) met rond de 1,3 miljard euro per jaar laag zijn vergeleken met Europese investeringen in China (ongeveer 30 miljard euro). Volgens de nieuwste cijfers zullen de Chinese investeringen dit jaar de zeven miljard euro overstijgen, met name door overnames en fusies in Duitsland, China’s belangrijkste bilaterale handelspartner en politieke anker in de EU.

In zijn kritiek op de media scoort Obbema punten waarbij hij, zij het te impliciet, zijn eigen krant niet spaart. Feit is dat de meeste Europese en ook Nederlandse commentatoren en columnisten op het gebied van de buitenlandse politiek wel het belang van China onderkennen, maar vaak toch behept zijn met gedateerde Europees-centrische en trans-Atlantische reflexen.

Voor de achterdocht, het wantrouwen en de onkunde over wat er in het hedendaagse China aan de gang is, zal Europa, zo vreest Obbema, een prijs betalen. Het zou veel verstandiger zijn, en ook van visie getuigen, als er nagedacht wordt over het moment dat China voor Noord-Europa een concurrent wordt op het gebied van innovatie.

Voorsprong

Vanuit China gezien is het inderdaad verbazingwekkend te lezen hoe weinig aandacht er ook in Nederland is voor de strategische kernvraag: hoe blijft Europa zijn technologische voorsprong behouden en waar komt straks de economische groei vandaan als ook China een bron van innovatie wordt. De zware bezuinigingen, ook in Nederland, op fundamenteel en toegepast onderzoek, zijn uitermate kortzichtig. In toenemende mate kunnen hightechbedrijven het zich niet permitteren om geen geavanceerde technologieën naar China te brengen.

Hier heeft Obbema een cruciaal thema te pakken. Hij zegt overigens zonder onderbouwing optimistisch te zijn dat Europa het wel redt in die permanente race om de kennisvoorsprong te behouden. Ook de vraag over hoe Europa moet omgaan met de Chinese grondstoffenhonger stelt hij terecht, maar een antwoord heeft hij niet. Hij is overigens niet de enige, de meeste Europese regeringen, misschien uitgezonderd de Duitse, hebben geen flauw idee op welke manier zij kunnen voorkomen straks weggeconcurreerd te worden op kennis- en grondstoffengebied.

Obbema, die een jaar lang mocht werken aan zijn vlot geschreven boek over een onderwerp dat de gebruikelijke werken over modern China overstijgt, slaat aan het slot een merkwaardige, bijna stichtelijke toon aan. Hij vertelt dat bedrijven, universiteiten, studenten steeds makkelijker de weg vinden naar China en dat deze wirwar aan contacten op termijn hun effect niet zullen missen. Die onderstroom op microniveau laat zich niet pakken in opgewonden krantenkoppen, maar is uiteindelijk van doorslaggevend belang, denkt hij.

Mogelijk dat daardoor inderdaad de vijandbeelden zullen afzwakken, maar of daarmee het fundament zal worden gelegd voor ‘een vertrouwensrelatie’ is de vraag. Het klinkt nogal naïef en het ontkent de geldigheid van het adagium van Lord Palmerston (tweemaal minister-president in 19de-eeuws Groot Brittannië, red.) dat grote landen permanente vrienden noch permanente vijanden hebben, maar alleen permanente belangen.

De Chinese belangen (groei tot iedere prijs, toegang tot technologie en grondstoffen) zijn kristalhelder en duidelijk geformuleerd, en dat kan van Europa’s belangen niet gezegd worden. Het stadium dat een ‘vertrouwensrelatie’ de geopolitieke race waarin China ontegenzeggelijk is verwikkeld wezenlijk kan beïnvloeden, is allang gepasseerd. Om dezelfde reden klinken de discussies in China zelf over de vraag waarom het land zo weinig echte vrienden heeft vaak nogal schijnheilig.