Eregast was A.Q. Khan, vader van Pakistans bom

Het zijn mooie momenten voor een verslaggever. Bij de voorbereiding van een reportage kwam ik in contact met een aardige man, bestuurder bij een van Pakistans grootste nieuwsuitgevers, een shi’iet in het voornamelijk sunnitische Pakistan. Hij nodigde me uit voor het jaarlijkse bedrijfsdiner, een bijeenkomst van zo’n 600 adverteerders en invloedrijke Pakistanen. Eregast en spreker was Abdul Qadir Khan, de vader van de Pakistaanse atoombom.

Mohsin-e-Pakistan wordt hij genoemd, redder van Pakistan. Want zonder kernbom, geloven velen hier, zou het land door erfvijand India onder de voet zijn gelopen. Buiten Pakistan is Khan zeer omstreden. Hij wordt ervan beschuldigd technologie van uraniumverrijkingsbedrijf Urenco in Almelo gestolen te hebben. In de jaren zeventig was hij actief in het dorp naast het mijne.

In 2004 beleefde de redder van Pakistan een diepe val. Hij werd beschuldigd van grootschalige verspreiding van nucleaire geheimen, onder meer naar Libië en Noord-Korea. Hij kreeg huisarrest en bekende, maar werd in 2009 in ere hersteld. Aangenomen wordt dat zijn verkoop van atoomgeheimen eigenlijk een operatie was van Pakistans machtige leger.

Zonder mijn gastheer zou ik hier nooit zijn binnengekomen. Misschien lukte het me met A.Q. Khan in gesprek te raken, of met zijn Nederlandse vrouw.

Aan mijn tafel zaten een hoofdredacteur, een dochter van een landelijke politicus, tevens columniste voor een grote krant (zonder hoofddoek, zoals de meeste vrouwen uit Pakistans elite), een adviseur van de premier en een belangrijk zakenman. Zelfs als ik niet zou kunnen spreken met A.Q. Khan, was ik spekkoper met dit gezelschap.

Ik voelde een hand op mijn schouder. Kom mee, zei mijn gastheer vriendelijk. Dit was een belangrijke avond voor hem, maar hij maakte tijd voor me. Wat een vent! We liepen naar buiten, langs de beveiligers. Hij lachte, maar zijn lach had iets treurigs. „Er is een probleem”, zei hij. „Het heeft te maken met Abdul Qadir Khan. Ze willen je hier niet hebben.” Ik stribbelde tegen, vertelde hem van Khans Nederlandse periode en van zijn Nederlandse vrouw, van onze dorpjes. Hij keek me treurig aan. Ik vertelde van de roof van Nederlands bedrijfsgeheim en dat daar best iets tegenover mocht staan. Mijn gastheer keek wanhopig.

„Is het omdat jij shi’itisch bent”, vroeg ik.

„Nee”, zei hij. „Het is omdat jij buitenlander bent”.

Ik wilde afscheid nemen van mijn tafelgenoten, en nog snel visitekaartjes uitwisselen. „Je mag niet meer naar binnen”, zei mijn gastheer. „Ik schaam me heel erg.”

Hij droeg zijn zwager op me terug te brengen naar mijn hotel. Dat lag op loopafstand, maar om mijn gastheer niet nog meer te tergen, stemde ik in.

De zwager, gekleed in een keurig donker pak, kwam voorrijden in een van die oude, aftandse Suzuki-autootjes die Pakistan teisteren met hun sterk vervuilende dieselmotortjes. Ik stapte in, de zwager reed heel hard weg, en trapte vervolgens bovenop de rem. Hij was zijn uitrijdbewijs vergeten. Hij stapte haastig uit, liet het portier open en rende weg.

Vijftig meter voor me, bij de massief stalen poort van het hotelterrein zag ik beveiligers grijpen naar hun wapens. Wrakkige auto, wegrennende chauffeur. Bomaanslag! Achter me hoorde ik rumoer, de zwager werd hardhandig ingerekend. Een bewaker sloop naar voren en keek voorzichtig door het zijraampje. Opnieuw die buitenlander.

„Sorry Sir”, zei hij. „Kunnen we nog iets voor u doen?”