De uitgang niet gevonden

Bruinvis

Niemand weet waarom er zoveel bruinvissen stranden op de oevers van de Oosterschelde Het antwoord is misschien te vinden via hun maaginhoud Ecoloog Okka Jansen promoveert daar vandaag op

Redacteur Wetenschap

Bruinvissen die de Oosterschelde binnenzwemmen, komen er vaak niet meer uit. Eenmaal daar verzeild, hebben de dieren een grote kans om er te sterven. „De sterfte onder bruinvissen in de Oosterschelde is alarmerend en onaanvaardbaar hoog”, zegt ecoloog Okka Jansen van het onderzoeksinstituut IMARES op Texel. Zij promoveert vandaag aan de Wageningen Universiteit op haar onderzoek naar het dieet van bruinvissen.

De bruinvis is tegenwoordig de meest voorkomende walvisachtige in Nederlandse wateren. De totale populatie in de Noordzee omvat zo’n 350.000 dieren en is al jaren stabiel. Wel schuiven de bruinvissen steeds verder naar het zuiden op, onder andere richting Nederland. Daardoor zijn de aantallen in onze kustwateren sinds begin jaren negentig sterk toegenomen.

Omdat de bruinvis een beschermde diersoort is, kon Jansen haar onderzoek alleen verrichten aan gestrande dieren. De aangespoelde bruinvissen verkeerden soms in verre staat van ontbinding. „Hoe zal ik dat eens netjes zeggen? Aan onderzoek naar zeezoogdieren zit vaak een luchtje”, zegt Jansen.

Jansen reconstrueerde het dieet van de aangespoelde bruinvissen aan de hand van de onverteerde visresten in hun maag, de vetzuren in hun blubber en de verhouding tussen verschillende isotopen in bot- en spierweefsel. Stikstofisotopen vertellen welke soort vissen de bruinvis eet en daarmee hoe hoog de bruinvis in de voedselketen zit. De koolstofisotopen verraden of hij zijn prooien aan de kust, in een rivierdelta of op open zee ving. Het bestuderen van de maaginhoud alleen, de klassieke methode om het dieet van een dier te achterhalen, levert in het geval van bruinvissen een vertekend beeld op. „De stofwisseling van de bruinvis verloopt snel. Om warm te blijven in het koude water moeten ze eigenlijk de hele dag blijven eten.”

Het isotopenprofiel in de spieren van bruinvissen in de Oosterschelde wees op een typisch deltadieet. In hun botten was juist geen verschil te zien met dieren die op open zee foerageren. Jansen: „Omdat het botweefsel gevormd wordt wanneer bruinvissen nog jong zijn, concluderen we dat ze niet in de Oosterschelde geboren zijn, maar hier wel langer hebben vertoefd.”

Na de voltooiing van de Oosterscheldekering in 1986 verdwenen de bruinvissen uit de Oosterschelde. Pas de laatste jaren duiken ze weer op. In 2010 werd voor het eerst een moeder met kalf gesignaleerd.

De sterfte onder bruinvissen in de Oosterschelde ligt veel hoger dan elders aan de Nederlandse kust. In 2011 strandden er twintig dieren op de oevers van de Oosterschelde. Er werden toen 61 levende bruinvissen in de zeearm geteld. De bruinvissen die aanspoelen, zijn vaak vermagerd of ziek, of gestorven in bijvangst.

Hoe de bruinvissen in de Oosterschelde terechtkomen en waarom ze niet door de geopende schuiven naar open water zwemmen, is onbekend. IMARES heeft inmiddels onderwatermicrofoons in de schuiven van de Oosterscheldekering geplaatst om de kliks van passerende bruinvissen te registreren.

Jansen legde meer dieetverschillen tussen bruinvissen bloot, zoals tussen mannetjes en vrouwtjes. Mannetjes foerageren vaker op open zee, waar ze meer op makreel en haring jagen. Vrouwtjes blijven dichter bij de kust en jagen meer op kleinere prooien. Jansen heeft daar wel een verklaring voor: „Bruinvisvrouwtjes zijn altijd bezig met de kleintjes. Of ze zijn zwanger of ze hebben een kalf. Daarmee kunnen ze waarschijnlijk niet zo lang onder water blijven.”