De blues – van Carter tot Obama – is van kleur verschoten

Guido van Rijn: The Carter, Reagan, Bush Sr., Clinton, Bush Jr. & Obama Blues. Agram Blues Books, 301 blz. € 30,-. Met 2 cd’s

Dolgelukkig met de historische, politieke keuze die Amerika had gemaakt, schreef bluesmuzikant Henry Gray in 2009 de ‘Barack Obama Boogie’. Zijn vertrouwen in de nieuwe president was zo groot dat de slogan Yes we can hem niet sterk genoeg was. Gray bouwde die om tot een prachtige drievoudige ontkenning: If he can’t do it, can’t nobody can.

Dat Obama populair is onder bluesmuzikanten is niet verwonderlijk. Hij was sociaal werker in de South Side van Chicago, na de Mississippi Delta de meest vruchtbare plek voor het genre. Bovenal is hij de eerste president met Afrikaanse roots, een wens die al een eeuw lang wordt bezongen.

De Nederlandse blues- en gospelhistoricus Guido van Rijn doet al twintig jaar onderzoek naar politieke verwijzingen in blues- en gospelsongs. In zijn voorgaande vijf boeken analyseerde hij de opvattingen van Afro-Amerikanen over alle presidenten – van Roosevelt tot Ford. Het sluitstuk van die bewonderenswaardige serie heet The Carter, Reagan, Bush sr., Clinton, Bush Jr. & Obama Blues, een titel die al verraadt dat de glans er een beetje af is.

Van Rijn had moeite om genoeg songs te vinden, zodat er nu zes presidentsschappen in een boek passen. Analfabeet is de zwarte bevolking al lang niet meer, wat niet wegneemt dat songteksten nog altijd inzicht kunnen geven in de politieke opvattingen. Als dat de onderzoeksvraag was, zou bijvoorbeeld rap een logische keuze zijn. Maar Van Rijn zoekt naar ‘traditionele blues’ en dus is cross-over uitgesloten. Het lukte hem om de aandacht te vestigen op enkele mooie songs. De bespreking van in totaal 180 nummers in zijn boek laat zien hoe crises, rampen en oorlogen presidenten plagen en blueszangers inspireren.

Zuiderling Carter, die opgroeide onder Afro-Amerikanen, kon aan het begin van zijn termijn in 1976 rekenen op lovende bluesteksten, maar de oliecrisis deed het beeld kantelen. The reason I’m so mean / I drink gasoline, zong Bob Starr over de Amerikaanse olieverslaving.

In de jaren tachtig lukte het Carters opvolger Reagan niet om van de verdenking van racisme af te komen. Ook Bush Sr. en Jr. waren niet populair onder blueszangers. Clinton wel, de sax spelende president kreeg zelfs na de Lewinsky-affaire nog muzikale steun. When I was a young man, I had me another woman too, zong harmonicaspeler Tail Dragger.

Hoewel Van Rijn had kunnen wachten tot zijn tweede termijn is afgelopen, lijkt Obama de perfecte afsluiter van zijn boekenreeks. Zangers dromen van een eigen plekje in het Witte Huis en bellen in hun nummers regelmatig met de president om te pleiten voor hun zaak, of de zaak van zwart Amerika. Het is makkelijk om Obama als vervulling van die droom te zien.

Van Rijn behandelt het historische keerpunt echter opvallend summier. De 25 pagina’s over Obama gaan voor de helft op aan uitgeschreven teksten. Conclusies laat hij aan de lezer over, terwijl juist hier de continuïteit van zijn onderzoek zijn waarde had kunnen bewijzen.

Het is interessant hoe snel na zijn verkiezing Obama ook kritische teksten van blueszangers kreeg te horen. Zanger Larry Shannon Hargrove nodigde in 2008 iedereen nog uit om op de ‘Barack Obama Train’ te springen, de ‘train of change’, maar een jaar later zong hij: ‘You bailed out the Lehman Brothers and the Wall Street financees / I just wanna know: can you do the same thing for me?’ Een heldere analyse van die kritiek blijft helaas achterwege.

De traditionele blues is een uitstervende kunstvorm, schrijft Van Rijn. Daar is iets voor te zeggen, maar in zijn boek zit nog een reden verstopt die de dunne oogst verklaart. In een interview gokt gitarist Robert ‘Chick’ Willlis dat zijn publiek voor ‘88 procent wit’ is. Hij legt uit dat jonge muzikanten zich niet meer met politiek bemoeien uit angst hun carrière te schaden. De blues is niet dood, ze is alleen van kleur verschoten en is daarom ook niet langer het geschikte genre voor Van Rijns onderzoek.