Bruinvis vindt einde in Oosterschelde

De bruinvis zwemt, door de stormvloedkering, de Oosterschelde wel in, maar vindt slecht de uitgang. Veel dieren vermageren er en sterven.

Bruinvissen die de Oosterschelde binnenzwemmen, komen er vaak niet meer uit. Eenmaal in de Oosterschelde verzeild, hebben de dieren een grote kans om er te sterven. „De sterfte onder bruinvissen in de Oosterschelde is alarmerend en onaanvaardbaar hoog”, zegt ecoloog Okka Jansen van het onderzoeksinstituut IMARES op Texel. Zij promoveert vandaag aan de Wageningen Universiteit op haar onderzoek naar het dieet van bruinvissen.

De bruinvis (Phocoena phocoena) is tegenwoordig de meest voorkomende walvisachtige in Nederlandse wateren. De totale bruinvispopulatie in de Noordzee omvat zo’n 350.000 dieren en is al jaren stabiel. Wel schuiven de bruinvissen steeds verder naar het zuiden op, onder andere richting Nederland.

Omdat de bruinvis een beschermde diersoort is, kon Jansen haar onderzoek alleen verrichten aan gestrande dieren. De aangespoelde bruinvissen verkeerden soms in verre staat van ontbinding. „Hoe zal ik dat eens netjes zeggen? Aan onderzoek naar zeezoogdieren zit vaak een luchtje”, zegt Jansen.

Jansen reconstrueerde het dieet van de aangespoelde bruinvissen aan de hand van de onverteerde visresten in hun maag, de vetzuren in hun blubber, en de verhouding tussen verschillende isotopen in bot- en spierweefsel. Stikstofisotopen verraden hoe hoog in de voedselketen de bruinvis zat, koolstofisotopen vertellen of hij zijn prooien aan de kust, in een rivierdelta of op open zee ving. Het bestuderen van alleen de maaginhoud, de klassieke methode om het dieet van een dier te achterhalen, levert voor de bruinvis een vertekend beeld op. „De stofwisseling van de bruinvis verloopt snel. Om warm te blijven in koud water moeten ze eigenlijk de hele dag blijven eten.”

Het isotopenprofiel in de spieren van bruinvissen in de Oosterschelde wees op een typische deltadieet. In de botten daarentegen was juist geen verschil te zien met dieren die op open zee foerageren. Jansen: „Omdat het botweefsel gevormd wordt wanneer de dieren nog jong zijn, concluderen we dat deze bruinvissen niet in de Oosterschelde geboren zijn, maar hier wel weken of maanden hebben vertoefd.”

Vlak na de voltooiing van de Oosterscheldekering in 1986 verdwenen de bruinvissen uit de Oosterschelde. Pas de laatste jaren doken ze weer op. In 2010 werd voor het eerst een moeder met kalf gesignaleerd.

De sterfte onder bruinvissen in de Oosterschelde ligt veel hoger dan elders aan de Nederlandse kust. In 2011 strandden er 20 dieren op de oevers van de Oosterschelde. Er werden toen 61 levende bruinvissen in de zeearm geteld. De bruinvissen die aanspoelen zijn vaak vermagerd of ziek, of gestorven in bijvangst.

Hoe de bruinvissen in de Oosterschelde terechtkomen, en waarom ze niet door de geopende schuiven naar open water zwemmen, is onbekend. Er zijn inmiddels onderwatermicrofoons rond de schuiven van de Oosterscheldekering geplaatst om de kliks van passerende bruinvissen te registreren.

Jansen legde meer dieetverschillen tussen bruinvissen bloot, zoals tussen mannetjes en vrouwtjes. Mannetjesbruinvissen foerageren vaker op open zee, waar ze meer op makreel en haring jagen. Vrouwtjes blijven dichter bij de kust en jagen vaker op kleinere prooien, zoals grondels. Jansen heeft daar wel een verklaring voor: „Bruinvisvrouwtjes zijn altijd bezig met de kleintjes. Of ze zijn zwanger, of ze hebben een kalf. Daarmee kunnen ze waarschijnlijk niet zo lang en diep duiken.”