Bengalen slaags over bloedig verleden

Bangladesh beleeft zijn ergste onrust in 20 jaar. De Bengalen zijn het oneens over straffen voor de plegers van excessen in de oorlog van 1971.

De bloedige ontstaansgeschiedenis van Bangladesh ligt nog altijd zo gevoelig dat honderdduizenden burgers de afgelopen weken de straat zijn opgegaan. Ze zijn woedend over vonnissen van het tribunaal dat mensen berecht die worden verdacht van misdaden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd tegen Pakistan in 1971.

Revolutionaire retoriek schuwen ze niet. De plek waar zich steeds de meeste betogers verzamelden en de politie af en toe hard ingreep, het Shahbagh-kruispunt in de hoofdstad Dhaka, wordt door sommigen al het Tahrirplein van Bangladesh genoemd. De grootste oppositiepartij, de Bangladesh Nationalistische Partij (BNP), kondigde maandag aan ‘comités voor de publieke veiligheid’ op te richten. Alsof Robespierre zijn rentree maakt in Dhaka. Een BNP-functionaris verwees ook expliciet naar de Franse revolutie, maar op de aard van de ‘comités’ ging hij niet in.

Bij alle betogingen zijn alleen eind vorige week al 61 mensen om het leven gekomen. Hoewel de Bengalen vanouds gretige stakers en betogers zijn, is het in twee decennia niet zo onrustig geweest als nu. Gisteren had de oppositie een staking uitgeroepen uit protest tegen het harde politieoptreden tegen betogers.

Sommigen zien er zelfs de voorbode in van een omwenteling die een einde kan maken aan de politieke stagnatie in het land. Al twee decennia zijn de huidige premier Sheikh Hasina van de Awami League en oppositieleider Khaleda Zia in een bittere, improductieve strijd met elkaar gewikkeld. Af en toe wisselen ze van positie maar een constante is dat ze – eenmaal aan het bewind – hun rivaal zoveel mogelijk pesten. Via rechtszaken over corruptie of anderszins.

Beiden genieten een bijzondere status. Sheikh Hasina is de dochter van de in 1975 vermoorde vader des vaderlands Sheikh Mujibur Rahman. Khaleda Zia is de weduwe van de in 1981 eveneens doodgeschoten militaire heerser generaal Zia Ur Rahman. De betogers missen echter nog de kracht, ook door onderlinge verdeeldheid, om Sheikh Hasina, Khaleda Zia en het gevestigde politieke systeem omver te werpen.

Ook jongeren, die ‘1971’ alleen uit boekjes of verhalen van hun ouders kennen, betoogden massaal mee. Miljoenen Bengalen hebben een opa die destijds is gedood of een tante die werd verkracht door Pakistaanse militairen en hun Bengaalse handlangers. Bij die strijd vielen honderdduizenden doden.

Nieuw is dat de betogers niet naar het kruispunt zijn gekomen op gezag van een politieke partij, zoals doorgaans gebeurt, maar na oproepen van onafhankelijke bloggers. En nieuw is ook dat het om mensen gaat die anders niet zo gauw de straat opgaan zoals bankiers en dichters. Hun woede geldt vooral het tribunaal. Dit gaf vorige maand ‘slechts’ levenslang aan Abdul Qader Mollah, een leider van de fundamentalistische partij Jamaat-e-Islami die terecht stond op verdenking van moord op 344 mensen, verkrachting van een elfjarig meisje en de onthoofding van een befaamde dichter. „Hang, hang, hang ze allemaal op”, scandeerde de menigte en: „De wapens van ’71 moeten weer het vuur openen.”

Elders in de stad, maar vooral in de noordwestelijke stad Bogra, demonstreerde intussen de aanhang van de BNP en van Jamaat massaal. Zij vinden de straffen juist veel te hoog. Zij steigerden massaal, toen het tribunaal vorige week een doodvonnis uitsprak over Delwar Hossain Sayedee, vicepresident van Jamaat. Ze vielen onder meer tempels van de hindoeminderheid aan, die wordt gezien als een bondgenoot van de Awami League

Voor de regering is het tribunaal een goede stok om de oppositie mee te slaan. De meeste Bengalen lijken de berechting van de oorlogsmisdadigers nog steeds te steunen. En de aandacht voor andere problemen in het land is er tijdelijk door verslapt. Dat komt Sheikh Hasina een klein jaar voor de volgende parlementsverkiezingen goed uit.

Maar de omstandigheid dat zich onder de tien verdachten acht leidende figuren uit Jamaat-e-Islami bevinden en twee BNP’ers maakt het tribunaal kwetsbaar voor kritiek dat het slechts gaat om een politieke afrekening. Ook het feit dat de regering weigerde het tribunaal een internationaal karakter te geven en aanwijzingen dat ze druk uitoefent op de rechters hebben de geloofwaardigheid niet vergroot.

Dat neemt niet weg dat vooral Jamaat, dat tegen een onafhankelijk Bangladesh was, al sinds 1971 omstreden is. In de jaren ’70 was de partij zelfs enige tijd verboden wegens haar collaboratie met de Pakistanen. Maar aan het eind van dat decennium werd ze toch weer toegelaten. Electoraal heeft Jamaat nooit een grote vuist kunnen maken, misschien ook omdat de strenge islam die zij voorstaat niet goed aansluit bij de gematigde tradities van het land.

Toch geniet de partij relatief veel invloed omdat ze over veel geld beschikt, deels door steun uit het Midden-Oosten. Ook is Jamaat een cruciale partner van de BNP. Velen vrezen Jamaat. Meer dan andere partijen bedient ze zich van intimidatie en geweld. Toen half februari een anti-fundamentalistische blogger met een machete was doodgeslagen in Dhaka, richtte de verdenking zich dan ook meteen op Jamaat en premier Hasina zinspeelde openlijk op een verbod van de partij.

Als de onrust aanhoudt, valt evenmin uit te sluiten dat het land, dat vaak liever achterom lijkt te kijken dan vooruit, weer in handen valt van de militairen. Net als in Pakistan achten zij zich dikwijls de enige goede bewakers van het landsbelang. Het verleden leert dat ze coups niet schuwen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat ze zich laten afschrikken door het feit dat de regering in de grondwet heeft laten opnemen dat militairen die een coup plegen de doodstraf riskeren.