Arme Romein at veel gierst

De lagere klassen in het Oude Rome aten verrassend veel gierst. Dit blijkt uit isotopenonderzoek van botten uit twee Romeinse begraafplaatsen uit de keizertijd (0-300 na Chr.). Daaruit is af te leiden of vooral granen of ook gierst de zetmeelbron was, zo schrijven onderzoekers in het maartnummer van de Journal of Anthropological Archaeology. Vooral in de botten uit de begraafplaats die buiten het centrum van Rome lag werden veel sporen van gierst gevonden. Gierst geldt in de Romeinse literatuur vooral als diervoedsel maar het wordt ook wel genoemd als voedsel voor armen in tijden van hongersnood. In rijkere graven werden geen sporen van gierstconsumptie gevonden. Dichter bij het centrum werd meer vis gegeten – overigens ook klassiek armeluisvoedsel. Het graan dat door de keizers aan de armen van Rome werd uitgedeeld (‘Brood en Spelen’) was ongemalen tarwe. De allerarmsten beschikten meestal niet over mogelijkheden om dit graan te malen.