Als het zware even licht is

Ik probeerde een stofje van het papier weg te vegen, op de laatste bladzijde van Hier begint het leven, de nieuwe bundel van Ruben van Gogh. Maar dat lukte niet. Het vlekje of stipje of korreltje bleef zitten. Toen ik beter keek, zag ik dat het een punt was, een welbewust gedrukte losse punt boven het gedicht, op de plek van de titel. Die punt had alles te maken met het onderwerp van het gedicht: een zandkorreltje aan zee. Dat zandkorreltje is een heleboel tegelijk. Het is een verwijzing naar het begin van alles, de oerknal, het punt waaruit ons heelal moet zijn ontstaan. Van Gogh vertelt hoe er daarna iets van sterfelijkheid in de evolutie moet zijn geslopen: een besef van dood en einde al voordat de menselijke soort zich had aangediend, ‘een vage notie van een ooit nog / ergens te beginnen voorgoed voorbij’. Daarin klinken woorden van de sombere dichter J.C. Bloem mee: ‘O en voorgoed voorbij.’

Van Gogh gaat door met zijn evolutionaire verhandeling. Hij vertelt dat dit sombere besef in de wemelende leefvormen in de zeeën leidde tot de neiging om zich voort te planten, ‘het eigen verloren gaan voorkomen in een ander’. Aan het eind wacht de dood en ‘het niet’, maar door de voortplanting kan de vergetelheid worden uitgesteld. En zo (ik vat het nu kort samen) is het water het land gaan opzoeken. Tegelijk wilde het minuscule zandkorreltje wel opgaan in de grote zilte zee. En zo vonden zij elkaar.

Het is moeilijk om hierbij niet aan bevruchting te denken. De slotwoorden verwijzen daar ook naar: ‘ik ging in, kwam, verdween, was alles vergeten.’ Tegelijk is het moeilijk om hierbij niet ook aan de dood te denken. Omdat de dood volgens Van Gogh vanaf het begin in de schepping ingebakken zit, maar ook omdat die zandkorrel een duidelijke verwijzing is naar het gedicht ‘Korreltjie sand’ van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker. ‘Korreltjie klein is my woord / korreltjie niks is my dood’. Jonker bracht zichzelf in 1965 om het leven door op het zandkorreltjesstrand van Drieankerbaai, Kaapstad, de zee in te lopen. Ook zij ‘ging in, kwam, verdween, was alles vergeten.’

Dit is veel tekst en veel betekenis naar aanleiding van maar één zo’n klein puntje. Het lijkt erop dat Van Gogh een intellectuele en intertekstuele dichter is. Dat is hij ook, veel meer dan ik van tevoren had gedacht. En dan verwijst dit slotgedicht ook nog eens naar het begingedicht. Dat heet ‘Alles’. Ook daarin gaat het over het begin van alles, de ‘zinderende uitbraaksels helle-/vuur waarmee alles ooit een aanvang nam.’ En ook daarin gaat het over het bijbehorende besef van relativering. We zijn een leven lang bezig ertoe te doen, maar intussen zitten we ‘gevangen in de nietigheid / van zelfs nog minder dan / een stofje, een stipje, / een ietsepietsje / ikje’. In dat stipje kondigt zich het zandkorreltje van het slotgedicht al aan.

Het klinkt misschien luchtig (‘een ietsepietsje ikje’), maar de boodschap duidelijk. Het gaat hier om het fundamentele besef niet meer dan een broodkruimel op de rok van het universum te zijn. Die boodschap is niet nieuw. Ten tijde van de Bijbel zeiden ze zulke dingen ook al. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Van Gogh gaf zijn vijfde bundel dan wel de opgewekte titel Hier begint het leven, maar we weten nu dat in elk begin het einde al meteen zit opgesloten. De toon is licht en helder, als van een onbevangen liedjeszanger, maar intussen gaat het verraderlijk vaak over tijdelijkheid, eenzaamheid, oorlog en het terugroepen van een dierbare dode.

Een gedicht als ‘Wateraubade’ geeft een opsomming van alle rollen die water kan vervullen, met mooie woorden van eigen vinding. Water is een ‘rietkraagbehager’ en een ‘luchtbellendrager’, een ‘wolkenvormer’ en een ‘regenpakbestormer’, een ‘lief rimpeloppervlakje op elk maatbekerbakje’ en zo voort, maar bijna ongemerkt zwemt daar ook deze morbide lofprijzing tussendoor: ‘nooit iemand zo mooi dood gezien als zwevend in jou’. Als Van Gogh al grappen maakt, dan zijn ze wrang – zoals in de gezellige beschrijving van de hoeren in de woonboten aan het Zandpad in Utrecht: ‘Wie zou hier niet willen / wonen. Overal lampjes, […] altijd Kerst, lijkt het wel’.

Van Gogh is een dichter die ernstig is zonder het te willen etaleren. Ik houd daar wel van: van schrijvers die zich afvragen wie wij zijn, en wat wij hier doen en wat het wezen van het leven is, zeker als dat met humor gepaard gaat. Hij is een dichter die zich er geregeld over verwondert ‘dat het zware soms zo licht kan zijn.’ Zoals die dakpan die ooit zo mooi naar beneden kwam gezweefd, in vertraging haast, vriendelijk zigzaggend, blinkend in de zon, ‘vlak voor hij vlak voor mijn voeten / met een rotklap aan gruzelementen sloeg.’