Afghaans realisme gesmoord in een bom

Paolo Giordano: Het menselijk lichaam. Vert. M. Geuzebroek en P. de Voogd. De Bezige Bij, 351 blz. €19,90

De tweede roman van Paolo Giordano, opvolger van zijn wereldsucces De eenzaamheid van de priemgetallen, begint moeizaam. Er is in Het menselijk lichaam sprake van ‘jongens’ die hun verleden willen ontvluchten. Door hun geheugen aan te passen, veranderen ze de werkelijkheid, want die is onverdraaglijk geworden.

Iets soortgelijks was het thema van Priemgetallen, maar formuleerde Giordano daar ook zo ingewikkeld? Wel een beetje, en net als in die roman gaat dat beter zodra hij zijn evidente verteltalent de vrije loop laat. Dan stoppen de gewilde bespiegelingen en de aan de beta-wetenschappen ontleende termen, dan loost hij een quasi-exacte air die vertroebelt in plaats van verheldert.

Giordano komt op stoom en trekt de lezer mee. Naar Afghanistan. Naar het legerkamp waar een troepje Italiaanse militairen gelegerd is. Er is een branieschopper en er is een moederskind annex mikpunt van pesterijen. Er is een aan antidepressiva verslaafde luitenant-arts en een adjudant die bijverdiende als gigolo. Een provinciaal. Een huisvader. Jonge mannen, briesend van de testosteron, die hun leven delen in de bedwongen hysterie van kerels onder elkaar. Zij zijn schetsmatig opgezet, maar ze worden meer dan typetjes doordat het boek zich vastbijt in hun onderling verkeer. Ze nemen obscene lichamelijke vrijheden, maar vertoon van gevoel is taboe. Vriendschap kan niet, achterdocht en afstand zijn geboden.

Mateloos noteert Giordano het kampleven, het eten, de douche, de bevoorrading, het chatten met vrouwen en vriendinnen, een potje Risk. Hij definieert de sleur op het legerkamp door zijn boek in een vergelijkbare literaire sleur te dompelen. Soms doet het denken aan het werk van de Nederlandse schrijver Arnon Grunberg die net als Giordano zijn ervaringen in Afghanistan literair verwerkte. Grunberg kanaliseert zijn verbijstering in surrealisme. Giordano zoekt het in nadrukkelijk realisme – en dat smoort hij in een bermbom.

In een Bijbels beschreven scène vermengt het vlees van een verdwaalde kudde schapen zich met het bloed van de verloren schapen die deze mannen zijn. De laatste gedachten van sneuvelende manschappen krijgen epische proporties. De branieschopper omhelst het lichaam van de jongen die hij treiterde en noemt hem ‘vriend’.

Eigenlijk is de roman met dat slagveld een voldongen feit, maar Giordano ging door. Hij breidt het boek uit met een aantal satellietverhalen over enkele overlevenden van het fatale incident. Elk heeft de potentie van een aparte miniroman, zoals de geschiedenis van de luitenant: een aan Priemgetallen herinnerend relaas over een door zijn ouders gefnuikte zoon, met een even contactgestoorde zus. Deze nawee-verhalen zijn fragmentarisch en ze zijn arbitrair – zo ontbreekt het verhaal van de enige vrouwelijke soldaat, de raadselachtigste van het stel. Ze slaan Het Menselijk lichaam uit het lood.