Versoepel juist bij werkloosheid de ontslagregels

Arbeidstijdverkorting en vut helpen niet tegen de werkloosheid, vereenvoudiging van ontslag wel, vinden Pieter Gautier, Bas van der Klauw en Bas ter Weel.

De arbeidsmarkt begint steeds meer te lijden onder de gevolgen van de crisis. Waar tot voor kort het werkloosheidpercentage redelijk laag bleef, is dit nu opgelopen van 3.8 procent in 2008 tot 7,5 procent in 2013. Ruim 550.000 mensen hebben geen werk en zoeken hier actief naar. De pijn wordt gevoeld in alle segmenten van de arbeidsmarkt. Het werkloosheidspercentage onder jongeren loopt sinds twee jaar het snelst op richting 15 procent, maar oudere werklozen hebben ook grote moeite om werk te vinden.

De kosten van werkloosheid zijn hoog, niet alleen voor de maatschappij. Voor het individu zijn er directe financiële consequenties, maar ook geeft onvrijwillig thuis zitten onzekerheid en kan dat op termijn zelfs tot gezondheidsproblemen leiden.

Vanuit verschillende hoeken worden suggesties gedaan de arbeidsmarkt weer aan de praat te krijgen. Om een goede inschatting te maken van deze plannen, is het handig om eerst stil te staan bij een aantal opvallende kenmerken van Nederland. In vergelijking met andere landen is de werkloosheid hier nog steeds laag, maar is het aandeel langdurig werklozen hoog (bijna eenderde). Daarnaast is er in Nederland relatief veel flexibele arbeid, is het loonverschil tussen ouderen en jongeren groot, bestaat er veel parttime werk en is de arbeidsparticipatie van ouderen in hoog tempo toegenomen.

Een deel van deze kenmerken is het gevolg van specifieke Nederlandse instituties die baancreatie belemmeren. Het in vaste dienst hebben van werknemers is voor bedrijven duur. Niet alleen is de ontslagbescherming hoog, maar de overheid heeft het WAO-probleem grotendeels opgelost door bedrijven meer verantwoordelijk te maken voor de financiële gevolgen van zieke werknemers.

Het flexibele segment is daardoor gegroeid. Werknemers met flexibele contracten hebben weinig zekerheid: ze kunnen eenvoudig worden ontslagen en hebben geen recht op sociale zekerheid. Ook bouwen ze niet of nauwelijks pensioen op. In het flexibele segment werken veel mensen met lage kwalificaties voor wie zekerheid veel gewenster is. De tweedeling tussen werknemers met vaste contracten en flexibele arbeid verklaart ook voor een deel de ontstane inkomensverschillen. Degene met een vast contract krijgt jaarlijks een periodieke salarisverhoging en als hij ouder wordt recht op bijvoorbeeld extra vrije dagen. Voor een jongere werknemer is een vast contract maar moeilijk te krijgen en blijft het loon en de baanzekerheid laag.

De langetermijnoplossing ligt dus in het aanpassen van de instituties aan een arbeidsmarkt die veel flexibeler is. De huidige instituties stammen nog uit de tijd dat werknemers lang bij hetzelfde bedrijf werkten. Werknemers die van baan veranderen, verliezen vaak opgebouwde ontslagbescherming en de overdracht van pensioenrechten is slecht geregeld. Dat beperkt de mobiliteit, zeker als het om oudere werknemers gaat. De discussie om de arbeidsmarkt uit het slop te trekken moet dus gaan over instituties als ontslagbescherming, verantwoordelijkheden van werkgevers en het pensioenstelsel. De discussie moet niet gaan over tijdelijk arbeidsduurverkorting of het opnieuw invoeren van de vut. De vut heeft in het verleden geen werkgelegenheid opgeleverd voor bijvoorbeeld jongeren. Integendeel, het heeft alleen maar geleid tot vernietiging van banen.

Het voordeel van een flexibelere arbeidsmarkt is niet dat het de werkloosheid verlaagt, maar dat het de langdurige werkloosheid verlaagt. Werkloosheid is daardoor eerlijker verdeeld en met overheidsbeleid is kortdurende werkloosheid makkelijker te bestrijden. Dit kan door werklozen meteen aan te zetten tot het zoeken van werk en te helpen een passende baan te vinden. Het bijscholen van werklozen en het aanbieden van werkervaringsplekken blijkt in praktijk ondanks forse inspanningen nauwelijks te helpen bij het vinden van werk.

In een flexibelere arbeidsmarkt zijn belemmeringen op de in- en uitstroom beperkt. Een voorstel zou kunnen zijn om de procedurele ontslagkosten te verminderen, maar een bedrijf dat iemand ontslaat geld te laten storten in een fonds. Dit fonds wordt vervolgens gebruikt om loonkostensubsidies te geven aan bedrijven die werklozen aannemen. Op deze manier wordt de mobiliteit op de arbeidsmarkt weer op gang gebracht. Dat betekent dat bedrijven eerder geneigd zullen zijn om nieuw personeel aan te nemen en dat werknemers sneller terecht komen bij de meest productieve bedrijven.

Tot slot, van de overheid mogen we geen wonderen verwachten, zeker niet op korte termijn. Dat is in het verleden ook niet gelukt. Maar wel mag verwacht worden dat de zij nadenkt over hoe de arbeidsmarkt er op lange termijn uit komt te zien. Dat wil zeggen: hoe de instituties aansluiten bij de behoefte van werknemers en werkgevers.

Pieter Gautier en Bas van der Klaauw zijn beiden hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit. Bas ter Weel is hoofd Arbeid en onderwijs van het CPB en hoogleraar economie aan de Universiteit Maastricht.