Column

Schuld en showtime! Raskolnikov rocks

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

De foto is sterk spul: een stuk gestucte muur met een gat en in dat gat zit een kogel. Er staat iets bij in blauwe ballpointletters: ‘kogel’. En: ‘monument’. En een datum: 18-04-94. Het is het onbeholpen handschrift van iemand die niet vaak iets opschrijft. Maar nu wel, want dit was belangrijk. Dat schot.

Wie haalde de trekker over? Hoezo? En wat gebeurde er daarna?

Niemand die het nog weet. Er is alleen die foto.

Fotograaf Sake Elzinga maakte hem in Sarajevo, in de loods waar de Dutchbatmilitairen bivakkeerden. Schuld verdampt met de tijd, zegt de foto. En de andere foto’s op Elzinga’s tentoonstelling in het museum van voormalig Kamp Westerbork zeggen het ook. In de vervallen commandantswoning van Westerbork fotografeerde hij de stoel die eens de kont van kampcommandant Gemmeker droeg. De dichter-schilder Armando introduceerde lang geleden de term ‘schuldig landschap’, Elzinga weerspreekt hem met die stoel. Die is leeg. Van schuld geen spoor. Van boete geen sprake.

Schuld en boete. Zo kennen we Dostojevski’s beroemdste roman. Woody Allen maakte er Crimes and Misdemeanors van: schuld en wangedrag. Hier heet het sinds de laatste vertaling Misdaad en straf. Dat is iets anders dan Schuld en boete, het is een verschuiving van passief naar actief. Van gevolg naar oorzaak. Van gedane zaken naar actie.

Actie! Natuurlijk noemde het Noord Nederlands Toneel het denderende stuk naar Dostojevski’s meesterwerk Misdaad en straf. We zien Raskolnikov (oh, wat schrijnt zijn jeugd) lijden aan een maatschappij die vrouwen reduceert tot hongerende hoeren en mannen opfokt tot verkrachtende wellustelingen. Raskolnikov voelt zich schuldig, hij wil iets dóén. Hij pakt een bijl en hakt in op de gehate pandjesbazin. Misdaad ís straf, wat hem betreft. Maar hij wordt betrapt en in paniek hakt hij in op nóg een vrouw. Tja. Deze moord is geen stellingname maar gewoon een moord, en dat betekent schuld. Zíjn schuld.

Acteur Joris Smit speelt Raskolnikov. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden. Hyper is hij, in blinde paniek. Hij is een gloeiende aardappel in de vuist van de massa.

Bloed! Hij schrobt zijn trui en zijn broek onder de kraan en trekt ze druipend weer aan. Ik huiver – ja, zo voelt schuld. Zwaar en kil, en het plakt aan je lijf. De omhelzing van een kwal.

Hoe speel je dat, schuld? vraag ik naderhand aan Joris Smit. Hij zegt dat hij Dostojevski’s beschrijving van Raskolnikov volgt: „Die schrijft: trillend als een espenblad.” Althans, dat wíl hij zeggen, maar Smit verspreekt zich, hij zegt: „trillend als een vijgenblad… Eh… nee, als een éspenblad” . Wat ik wel zo mooi vind: schuld en schaamte, ze groeien aan dezelfde twijg. Daar gaat Misdaad en straf óók over. Het stuwt de voorstelling voort, tot Raskolnikov zijn straf betaalt, in een kamp in Siberië. Maar! Geen barakken, geen ellende. Showtime! Glitter en dans. Is dat niet een beetje idioot, vraag ik. Maar Joris Smit vindt het logisch. „180 bladzijden Dostojevski en die jassen we er in een paar minuten doorheen. Dostojevksi schrijft dat Raskolnikov een nieuwe sensatie van een vol en machtig leven vervulde. Ik heb geen idee wat het precies betekent, maar ik speel het.”

Het herinnert me aan Rudy Kousbroek die in onvolprezen essays vaststelde dat het jappenkamp voor hem een bevrijding van kostschool was en dat hij blij was om daar eindelijk samen met zijn vader te kunnen zijn. Woede was zijn deel, hij mocht dat niet zeggen. Maar hij deed dat toch, want zo had hij dat nu eenmaal ondergaan.

In Den Haag ga ik naar een openbaar gesprek met Paolo Giordano. Het menselijk lichaam, zijn nieuwe roman, speelt zich af in een Italiaans legerkamp in Afghanistan. Er is een aanslag, jongens sneuvelen en andere jongens overleven. Ik vraag hem naar het schrijven over schuldgevoel. Hij knikt, ja, dat is zijn thema. En: „Voor dit boek gebruik ik de pijn van de militairen.” Hij ging zich achteraf bij hen verontschuldigen. Maar: „Toen ik 23 was, zag ik geen uitweg uit het schuldgevoel en daar voelde ik me dan weer schuldig over. Die kramp beschreef ik in De eenzaamheid van de priemgetallen. Nu ik 30 ben, begrijp ik dat ik niet verantwoordelijk ben voor alles wat pijnlijk is. En schreef ik dít boek.”