Rozjee

Ze werkt op de afdeling Communicatie, de verwarde cavia. Kort feuilleton over haar leven en lotgevallen.

Het was zondag en de verwarde cavia had niets te doen. „Hèhè”, zei ze tegen zichzelf, „even helemaal niks.” Maar in alle eerlijkheid was er nogal vaak „helemaal niks” in haar leven. Ze pakte de Uitkrant en zag dat er literaire middag werd georganiseerd, met jonge dichters. „Why ook not”, dacht Cavia.

De jonge dichters stonden in een café jonge gedichten te reciteren, vaak op manische toon. Net toen Cavia het voor gezien wilde houden, hoorde ze achter zich: „Hé, Cavia, jij ook hier?” Het was Rogier. Rogier kende ze nog van haar studie, maar wat was hij oud geworden! Niet voor het eerst was de cavia blij dat ze een vacht had, want dan zag je de rimpels minder. Rogier had zich tijdens hun studie ‘Rozjee’ laten noemen, terwijl hij uit Beverwijk kwam. „Ha Rozjee”, zei Cavia. „Ook into poëzie?” „Haha, zei Rogier, „Ja nee. Ik heet weer gewoon Rogier hoor.” „Gelukkig”, zei Cavia. Dat kwam er pinniger uit dan de bedoeling was, maar toen kwam er weer een manische dichteres die hard gilde over Goudvissen! Dood! In een kom! Dat eiste de aandacht op.

Na afloop van het gedicht wilde ze nog even tegen Rogier zeggen dat ze Rozjee ook een prima naam vond, evenals Rogier, want dat was ook prima, eigenlijk was alles prima. Maar Rozjee/Rogier stond te praten met een vrouw met te veel tandvlees. Cavia verliet het café met een onbevredigd gevoel.

Bij het eerstvolgende café mocht ze warme chocomel van zichzelf. Ze zat naast een groep eind-dertigers die aan het praten waren over hoe slecht zuivel was, en chocola trouwens ook, en warme dranken, en slagroom. Ze waren het er allemaal over eens dat je jezelf nooit moest troosten met lekker eten want dan legden je hersenen een verkeerde connectie, namelijk die tussen verdriet en beloning. Toen smaakte de chocomel niet meer.