Koop kunst, geen goud

De Amerikaan Thomas Galbraith strijdt tegen de gedachte dat met de aanschaf van kunst geen geld is te verdienen.

Thomas Galbraith

Tefaf gaat over schoonheid, kennis en geld. De kunst die wordt aangeboden heeft een totale waarde van zo’n drie miljard euro, waarmee de beurs de grootste ter wereld is. Ze trekt liefhebbers, verzamelaars en, in toenemende mate, investeerders. Mensen die kunst kopen louter als belegging.

Artnet is een bedrijf dat die laatsten bedient, als adviseur én marktanalist. De Amerikaan Thomas Galbraith (32) leidt de afdeling marktanalyse. „Net als ze bij de Royal Bank of Scotland voor hun klanten urenlang kijken naar de beursindices en ze onderzoek doen naar beursgenoteerde bedrijven, kijken wij hoe kunst het doet in het veilingwezen, wereldwijd.”

Galbraith heeft daartoe een index ontworpen die vergelijkbaar is met een beursindex. Op basis van hamerprijzen van veilingen bij meer dan 1000 veilinghuizen, is te zien hoe de markt voor individuele kunstenaars, genres en periodes zich ontwikkelt. In Maastricht zal Galbraith aan de hand van zijn index laten zien hoe top performing artists de markt domineren en waarom ze dat blijven doen, volgens hem. Galbraith is een kunsthistoricus die oogt en praat als een soepele vermogensbeheerder: „Eerst moeten we het natuurlijk eens worden over wat presteren betekent. Marktaandeel? Volume? Rendement?”

Dat laatste is het belangrijkste voor investeerders: hoeveel valt er met kunst te verdienen? Aan de indexen van Galbraith is goed te zien dat resultaten uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst. „Maar de prijsontwikkeling op veilingen geeft wel enig houvast.” Recente ontwikkelingen op de kunstmarkt zien er ook goed aan af te lezen. Zo blijkt de top-50 van impressionisten opvallend stabiel. „In die markt zijn miljarden gestopt, de kaarten zijn zo’n beetje geschud. De prijsverhouding tussen een Pisarro en een Degas verandert niet meer significant.”

Bij de index met hedendaagse kunstenaars is dat totaal anders. De verkoopcijfers van kunstenaars als de Duitser Gerhard Richter of de Amerikaan Andy Warhol zijn de afgelopen vijftien jaar zo snel gestegen dat aankoop ervan profijtelijker bleek dan een investering in goud, over dezelfde tijd genomen. Voor klanten zet Galbraith de groei van de opbrengsten van werken van kunstenaars af tegen de groei van Standard & Poor’s, een belangrijke index van de New Yorkse aandelenbeurs. Warhols stegen meer dan vier keer de gemiddelde aandelenstijging.

Tegelijk is te zien dat die top-50 van hedendaagse kunstenaars snel verandert van samenstelling. Kunstenaars vallen er zomaar uit. Andere kunstenaars komen erbij, voor even, om daarna voor altijd weg te zakken naar klasseringen onder de 500, of 5.000. „Blader eens door een veilingcatalogus uit de jaren tachtig. Je ziet namen die nergens meer opduiken.”

Niet voor niets is de dominante gedachte in analyses over de kunstmarkt: wie geld wil verdienen, moet geen hedendaagse kunst kopen. Te onvoorspelbaar. Te riskant. Galbraith is het daar absoluut niet mee eens. „Natuurlijk, voor wie zijn huiswerk niet doet, is iedere markt riskant, onbetrouwbaar, onverstandig om in te investeren. Maar wie doet er nu niet zijn huiswerk voor een aankoop van, zeg, 500.000 euro? Het is waar dat er nog altijd belangrijke vermogensbeheerders zijn die zich niet willen wagen aan kunst. Tegelijk zie je steeds vaker dat investeerders gekochte kunst gebruiken om geld te lenen bij een financiële instelling om daarmee weer te beleggen in, bijvoorbeeld, aandelen van een energiebedrijf. Op die manier rendeert geld op twee manieren, waarbij de waardevastheid van kunst een onmisbare schakel is. Want kunst rendeert vooral als langetermijninvestering.”

Langzaamaan, zegt Galbraith, zien vermogensbeheerders de kunstmarkt als een gewone markt. „Vermogensbeheerders die zich niet in kunst willen verdiepen, doen onrecht aan hun klant. Dat besef dringt door.”