Biecht Boogerd is leerzaam genoeg

Minister Schippers (Sport) wil dat Michael Boogerd gedetailleerder vertelt over dopegebruik. Toch valt uit zijn bekentenis al genoeg te leren.

Rust hoopt Michael Boogerd te vinden na zijn uitvoerige dopingbiecht in NRC, de Telegraaf en bij de NOS. Eindelijk rust. Tot in de verloskamer bij zijn bevallende vriendin, tijdens ziekenbezoek in zijn familie en op het voetbalveld met zijn zoontje werd hij er naar gevraagd. Dan moest hij toch maar bekennen wat van veel van zijn generatiegenoten al lang bekend was. „Epo, cortisonen, bloedtransfusies.” Het kostte de voormalige kopman van de Raboploeg zichtbaar moeite, zoals ook de vele reacties op zijn biecht hem niet koud laten. En rust?

Minister Schippers van Sport vindt dat Boogerd nog niet genoeg heeft verteld. „Hij moet niet alleen zijn eigen straatje schoonvegen, maar in detail uit de doeken doen wat er allemaal is gebeurd. Hij is het aan de nieuwe generatie verplicht”, aldus de minister vanochtend in de Telegraaf. Boogerd stelt juist dat hij zelf verantwoordelijk is voor wat hij heeft gedaan en dat hij niet over anderen praat. Zoals hij ook niet al te concreet wil vertellen in welke periode hij precies welk middel gebruikte. Anders stelt hij prijzengeld en zeges in de waagschaal. Zijn grootste zeges – Amstel Goldrace in 1999 en de Tourrit naar La Plagne in 2002 – vallen binnen de periode van 1997 tot en met 2007, waarin hij naar eigen zeggen „regelmatig” doping gebruikte.

Boogerd zelf gelooft niet dat hij met een gedetailleerde bekentenis de wielersport zou helpen. Hij vertelde zijn verhaal vorige week aan de Dopingautoriteit en zal dat ook doen aan de commissie-Sorgdrager, die namens wielerbond KNWU probeert om dopegebruik van de afgelopen twintig jaar in Nederland in kaart te brengen. Ook daar zal hij niets zeggen over anderen. „Het wordt vaak geroepen: alles moet boven tafel. Maar of dat bijdraagt aan een betere toekomst voor de renners van nu?”

Ook zonder nadere details over wie en wanneer valt uit de bekentenis van Boogerd genoeg te leren voor beleidsbepalers in de (wieler-) sport. Zoals al vanaf 1998 – met dopingschandalen rond Festina en TVM – lessen konden worden getrokken. Achterliggende mechanismen werden steeds duidelijker: wondermiddel epo, falend controlesysteem, ongelijke wetgeving in verschillende landen, druk op de renners vanuit ploeg, sponsor en media. En niet te vergeten: de mentaliteit van topsporters zelf, winnen ten koste van alles.

De waarde van de bekentenis van Boogerd schuilt erin dat hij toch vrij gedetailleerd laat zien hoe de nummer één van het Nederlandse wielrennen binnen de gegeven internationale verhoudingen opereerde. De onmogelijke keuze stoppen of doorgaan (1995). De druk om zichzelf opnieuw te bevestigen na zijn eerste ritwinst in de Tour van 1996. Het grote aantal wedstrijden dat hij moest rijden om zijn ploeg Rabobank aan de broodnodige punten te helpen en startrecht in de belangrijke wedstrijden.

Ook binnen de Raboploeg voelden meerdere renners blijkbaar de behoefte om doping te gebruiken. Op momenten dat er niet werd gebruikt, zoals in de Tour van 1999, leverden dit voor een aantal renners ingrijpende gezondheidproblemen op. Zo kampte Boogerd in die periode met epileptische aanvallen. En toen de controles op epo beter werden greep hij aan het einde van zijn carrière, van 2005 tot 2007, naar bloedtransfusies. Zoals Joop Zoetemelk in de jaren zeventig.

Genoeg informatie voor beleidsbepalers om te kijken naar zaken als de puntenjacht waartoe ploegen en renners nog altijd zijn veroordeeld. Naar gezondheidsrisico’s bij deelname aan drieweekse wedstrijden als de Tour. Naar druk vanuit media, ploeg en sponsor. En als de minister dan nog meer wil weten, is ze altijd welkom, zegt Boogerd. „De koffie staat klaar.”