Bekentenis

Bekennen blijft moeilijk. De mens komt er niet altijd onderuit, maar in hem loeit een koppige verzetshaard die de feiten het liefst zou willen verbranden. De NOS-tv vroeg Michael Boogerd of zijn dopinggebruik structureel was. „Structureel wil ik het niet noemen”, zei hij, „het was over meerdere periodes.”

Samen duurden die periodes, had hij eerder toegegeven, tien jaar: van 1997 tot 2007. Verreweg het belangrijkste deel van zijn wielercarrière. Maar structureel? Welnee, hoe komen we erbij.

Grappig was ook zijn anekdote over de omstandigheid die hem tot zijn bekentenis had gebracht. Hij stond deze week met zijn zoontje op het voetbalveld, toen er een ventje van acht naar hem toekwam. „Hé Michael”, zei het jongetje, „ik zag op het nieuws dat jij doping hebt gebruikt.” Boogerd: „Ik voelde me zo rot. In wat voor klotesituatie ben ik nou beland, dacht ik.”

Hij vertelde helaas niet hoe hij op de opmerking van het jongetje gereageerd had. Er waren enkele mogelijkheden. „Ik heb het zelf niet gezien, knul, wat zeiden ze precies?” Of: „Die journalisten moet je nooit geloven, joh.” Het kan ook dat hij besloot meteen maar aan het bekennen te slaan, nu zijn eigen zoontje, dat nog van niks wist, er toch bijstond: „En dan had je van die grote zakken waarin ze je bloed bewaarden en die kreeg je dan later weer terug met een injectie – en dan vloog je in de koers als een speer vooruit...”

Het was wel een beetje schrijnend dat Boogerd tot zijn bekentenis moest worden gebracht door een 8-jarig jongetje. Wat al die wielerjournalisten niet was gelukt, lukte dit jongetje met één achteloze opmerking. Niet prettig voor Mart Smeets, de beroemdste van die wielerjournalisten, die nog in 2009 aan Boogerd had gevraagd: „En je hebt nooit over bloeddoping, of wéét ik veel wat met hem [de Oostenrijkse dopingarts Stefan Matschiner] gesproken?” Boogerd: „Nee.”

Ik heb mijn plicht gedaan, moet Smeets toen voldaan hebben gedacht, wat kunnen ze nog meer van me verwachten? Niks, Mart.

Inmiddels heeft Boogerd gezegd dat hij niet van plan is andere collega’s of begeleiders erbij te lappen. „Ik wil zelf de verantwoordelijkheid nemen voor mijn daden en alleen mijn eigen verhaal vertellen.”

Het is de houding van Lance Armstrong, die bij Oprah Winfrey ook verkoos over bijzonderheden en collega’s te zwijgen. Wat de motieven van Armstrong en Boogerd ook mogen zijn, hun terughoudendheid heeft wel iets sympathieks. Je kunt het opvatten als een weigering om anderen, met wie ze lief en leed hebben gedeeld, te verraden. Ze verdommen het om te klikken, en dat in een tijd waarin het wemelt van de kliklijnen waarop de burgers elkaar anoniem aangeven. Klikken zou alleen moeten worden toegestaan bij ernstige misdrijven.

Doping in de (wieler)sport valt daar wat mij betreft niet onder. Het is onsportief en leidt tot onrechtvaardige situaties, het kan ook gevaarlijk zijn voor het eigen lichaam (net als te veel roken, drinken en slordig hompiekurken), maar daarmee is het nog geen halsmisdaad.

Armstrong en Boogerd verdienen hun straf, maar niet omdat ze weigeren een boekje open te doen over anderen. Dat moeten we maar respecteren.

Ik hoop dat ik hiermee duidelijk genoeg ben geweest, al zullen sommige lezers misschien willen weten wat hompiekurken is. Mijn preutse inborst belet me hier mededelingen over te doen. Zie De Dikke, en soms Vieze, Van Dale.