Waarom zou je elkaar ook níét vertrouwen?

ZZP-verzekering

Steeds meer zzp’ers spreken af dat ze elkaar helpen bij ziekte Broodfondsen zijn gebaseerd op loyaliteit en vertrouwen Dus doen maximaal 50 mensen mee

‘Op onze gezondheid”, proosten we vrolijk tijdens de oprichtingsbijeenkomst van het broodfonds waarvan ik lid ben. We lopen naar buiten voor een groepsfoto. „Pas op het afstapje”, grapt iemand. „Als jij je been breekt, kost dat ons allemaal geld.” Een ander giechelt: „Oei, ik weet niet of ik wel een sigaret durf op te steken in dit gezelschap.” 27 gezonde zzp’ers kijken in de lens van de fotograaf. Voortaan zullen we elke maand geld inleggen op onze broodfondsrekeningen. Wie onverhoopt arbeidsongeschikt raakt, ontvangt een schenking van de rest.

Een paar maanden later zijn er al twee ernstig zieken. De reactie van de groep is eerst en bovenal empathisch: natuurlijk gaan we op ziekenbezoek met een pan soep. Maar daarna klinken ook bezorgde vragen: wat betekent dit voor het fonds? Hoeveel zieken kunnen we dragen? En kan het zijn dat het geld straks op is als ík arbeidsongeschikt raak? Om die laatste vraag meteen te beantwoorden: ja, dat kan, en dan valt er niets te claimen. Maar de kans op te veel zieken op hetzelfde moment is statistisch gezien klein. Het is in zeven jaar van broodfondsen in Nederland nog nooit voorgekomen dat iemand niet uitbetaald kreeg.

Uit ergernis over dure arbeidsongeschiktheidsverzekeringen met strenge voorwaarden en kleine lettertjes besluiten steeds meer zelfstandigen zoals ik zich te verenigen in een broodfonds. Zonder een buitenstaander die er geld aan verdient en zonder bureaucratische rompslomp. Het principe van het broodfonds is gebaseerd op vertrouwen en solidariteit. Maar hoe ver reikt de loyaliteit van een groep?

Dat je bij ziekte niet eens een doktersverklaring nodig hebt, was voor veel broodfondsleden even wennen. „Hoe weet je nu of iemand echt ziek is, dacht ik toen ik voor het eerst van het initiatief hoorde”, vertelt John Coopmans (57, financieel adviseur) van Broodfonds Brumbeek. „Maar later draaide ik het om: waarom zou je elkaar eigenlijk níet vertrouwen?” Tjitske Mussche (30, journalist) van het Amsterdamse Soepfonds: „Stel dat één iemand er een keer misbruik van maakt, dan is me dat het wel waard.”

Vertrouwen en loyaliteit groeien naarmate mensen elkaar beter leren kennen. Dus mogen er bij de meeste broodfondsen maximaal vijftig mensen meedoen, kun je alleen lid worden als je al iemand uit het fonds kent en worden er regelmatig borrels georganiseerd om de onderlinge band te versterken. Jikke Verhulst (51, therapeut) van Broodfonds Wageningen: „Ik vind het fijner om geld te geven aan iemand die ik ken dan het op een rekening te storten van een bedrijf waarvan ik nog nooit iemand gezien heb.”

De sociale controle is bovendien groot, volgens Verhulst. „Wij wonen bijvoorbeeld allemaal in omgeving van Wageningen, we komen elkaar tegen.” Toen iemand uit haar groep een blessure opliep tijdens het schaatsen, betrapte zij zichzelf op achterdocht. „Volgens mij lag er helemaal geen ijs die dag, schoot er door mijn hoofd.” Ze sprak haar twijfel meteen uit en bleek zich te vergissen. „Het is goed om daar open over te zijn, want alleen dan kun je wantrouwen wegnemen.”

„Het belangrijkste is dat de hele groep zich verantwoordelijk en betrokken voelt”, zegt Biba Schoenmaker van Broodfondsmakers, de moederorganisatie die de verschillende broodfondsen adviseert. Daarom moet iedereen aanwezig zijn bij de bijeenkomsten. Vooral in de opstartfase zijn er veel vragen en discussies: krijg je bij zwangerschap en mantelzorg ook een uitkering? (Nee, dan wordt het risico te groot.) En moet je aan de groep vertellen waar je precies last van hebt ten behoeve van de transparantie of komt de privacy dan in het geding?

En nog een moreel dilemma: mogen mensen met meer risico op ziekte ook meedoen? „Wij hebben veel klussers in onze groep, dus daar is wel over gediscussieerd. Maar uiteindelijk hebben we besloten dat iedereen welkom is”, vertelt René van Corven (56, ruimtelijk vormgever) van Broodfonds Wageningen. „Anders moet je ook gaan kijken wie weleens de Mount Everest beklimt, wie alcoholverslaafd is en wie te veel eet. Dat is geen doen.”

Zelf krijgt Van Corven momenteel een broodfondsuitkering van 50 procent. Door een armblessure kan hij zijn werk maar gedeeltelijk uitvoeren. „Ik heb de mensen uit mijn broodfonds precies uitgelegd wat ik wel en niet kan, zodat ze niet verbaasd opkijken als ze mij bezig zien in mijn werkplaats.” Hij heeft wel even getwijfeld voordat hij een beroep deed op het fonds. „We waren nog maar net begonnen en ik vond het vervelend de groep meteen al te belasten.” Anderen moesten hem overtuigen dat het fonds juist bedoeld is voor dit soort gevallen.

Die schroom om een beroep te doen op het geld van anderen, herkennen alle broodfondsleden. Mensen die je goed kent, wil je – zelfs als de nood echt aan de man is – liever niet lastigvallen. De besturen van de broodfondsen moeten er vaak op aandringen dat mensen daadwerkelijk gebruikmaken van het fonds. John Coopmans van Broodfonds Brumbeek: „Wij hadden zelfs iemand die wist dat hij binnenkort een heupoperatie moest ondergaan en daarom nog even wachtte met zijn aanmelding bij het broodfonds tot na de revalidatie.”