Voorbij de zwaartekracht van Hollywood

In Lore beproeft een Australische regisseur het Duits. Filmmakers laten zich minder gelegen liggen aan de taal- en landsgrenzen.

Voor Europeanen is het misschien moeilijk voor te stellen. Want ondanks de hegemonie van het Engels en de Angelsaksische cultuur zijn we nog steeds de hele dag omgeven door een kakofonie van Babylonische talen. Een beetje Duits op straat, een flard Frans tijdens het zappen, een paar woorden Italiaans bij de pizzeria, een stukje Deens (of was het nou Zweeds) in die hippe Scandinavische misdaadserie. Onze oren zijn ingesteld op vreemde klanken.

Michelangelo Antonioni, Luis Buñuel, Rainer Werner Fassbinder, Nagisa Oshima, Jean Renoir, François Truffaut en zelfs onze eigen Paul Verhoeven, ze deden het allemaal: dromen van Hollywood en op enig moment in hun carrière een of meerdere films in het Engels maken voordat ze naar hun eigen land terugkeerden. Heel anders dan de generaties voor hen, Europese immigranten die naar Hollywood gingen om te blijven en daarbij zo Amerikaans werden dat we bijna vergeten zijn dat Engels niet hun moedertaal was: Ernst Lubitsch, Otto Preminger, Billy Wilder.

De zwaartekracht van Hollywood is bepaald nog niet uitgewerkt. Deze week komt bijvoorbeeld de horrorfilm Mama in de Nederlandse bioscopen uit: het Engelstalige, door een Amerikaanse studio met Canadees en Spaans geld geproduceerde speelfilmdebuut van een Argentijnse regisseur. Zo ziet de filmwereld anno nu er vaak uit. Tegelijkertijd laat de film Lore, van de Australische Cate Shortland, zien dat er ook andere taalgrenzen overschreden kunnen worden. Voor dit verhaal over een nazidochter in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog koos Shortland voor het Duits. Tegen deze krant zei ze daarover: „Tien jaar geleden was het niet in me opgekomen om een film in het Duits te doen. Dat deed je gewoon niet. Nu is het allemaal normaal geworden. Wat mij inspireerde was Lukas Moodyssons Lilja 4-ever en Babel. In Babel van Alejandro González Iñárritu wordt Arabisch, Spaans, Engels en Japans gesproken. En nergens wordt dat folklorisme, voor mij niet althans.”

Er kunnen voor regisseurs vele redenen zijn om in een andere taal te draaien. Authenticiteit is de belangrijkste. Het verhaal speelt zich nu eenmaal af in een bepaald land, dus is het niet meer dan logisch om de film in die taal te draaien. Extreme voorbeelden zijn de films die Mel Gibson in het Aramees (The Passion of the Christ) of het Maya (Apocalypto) opnam, of de zelfbedachte sciencefictiontaal van de Na’vi in Avatar. Ook zijn er veel filmmakers die met hun films bijna verdwenen talen willen bewaren: Inuktitut in Atanarjuat, the Fast Runner, het Guarini in Hamaca Paraguaya en diverse Aboriginal-talen in Ten Canoes van de in Nederland geboren Australiër Rolf de Heer. Het is een beetje het tegenwicht van al die klassieke Amerikaanse oorlogsfilms, waarin iedereen Engels praat, en alleen de heel slechte Duisters een zwaar accent hebben. Want dat was traditioneel de gewoonte. En elders ter wereld werden de films toch ondertiteld of nagesynchroniseerd.

Ook Nederlandse filmmakers filmen vaak over de grens. Om hun Europese coproducenten tevreden te stellen, om met favoriete acteurs te kunnen werken (zoals Nanouk Leopold in Brownian Movement) of omdat ze zich nu eenmaal met een bepaald soort filmmaken verwant voelen, zoals David Verbeek, die in navolging van zijn helden Tsai Ming-laing en Hou Hsiou-hsien bijna al zijn films in Azië opnam.

Bijkomend voordeel is dat je zo een groter publiek kunt aanspreken. Taal vergroot de herkenbaarheid, en de identificatie. Hoe simpel dat werkt blijkt wel uit die paar woorden Nederlands die Jason Bourne in The Bourne Identity spreekt. Voor je het weet geloof je dat Matt Damon eigenlijk een Nederlandse acteur is.