Verlosser en duivel van Venezuela

Hugo Chávez kocht zijn populariteit door scholen en ziekenhuizen te bouwen voor de onderklasse.

Hugo Chávez tijdens een laatste verkiezingstoespraak in Caracas in oktober 2012.Hij werd herkozen maar kon de beëdiging voor een nieuwe termijn niet meer bijwonen. Foto Reuters

Van alle hedendaagse linkse leiders in Latijns-Amerika heeft Hugo Chávez de grootste omwenteling tot stand gebracht. Venezuela vóór en na Chávez zijn twee radicaal verschillende landen. Zowel zijn persoonlijkheid als daadkracht was zo overweldigend dat hij de geschiedenis in gaat als de meest geliefde én meest gehate president van het land.

In het straatbeeld is zijn erfenis onuitwisbaar. Vanaf zijn eerste verkiezingszege in 1998 liet hij scholen, ziekenhuizen en bibliotheken bouwen voor de onderklasse van het land. In de loop van zijn 14-jarige presidentschap zijn hele stadswijken verrezen met gratis appartementen voor de armen.

Misschien stoppen de miljoenen aanhangers ooit met het bijwerken van de muurschilderingen van hun president. Maar ze zullen geen afstand nemen van het gevoel van eigenwaarde dat hij hun gaf. Tot zijn komst werden ze afgewezen, genegeerd en gediscrimineerd. Chávez was hun verlosser.

In de ogen van de elite was Chávez een megalomane populist, de man die democratie en economie opofferde voor zijn ‘Bolivariaanse revolutie’. Zijn populariteit kocht hij met het verkwisten van oliedollars. Toch hebben ook zijn grootste critici zijn aandacht voor de armen overgenomen. De oligarchie van de oude olie-elite van Venezuela is vervangen door de macht van de massa.

Chávez werd in 1954 geboren in een arm onderwijzersgezin op het platteland en werd naar zijn oma gestuurd. Na schooltijd verkocht hij snoep op straat. Hij droomde ervan werper te worden bij een Amerikaans honkbalteam en verzamelde boeken en plaatjes van Latijns-Amerikaanse helden. Zijn favoriet was Simón Bolívar, de Venezolaanse revolutionair die een deel van Zuid-Amerika onafhankelijk maakte.

Chávez’ passies kwamen samen toen hij op zijn zeventiende cadet werd aan de Militaire Academie in Caracas. Hij hoopte op een plek in de honkbalcompetitie van het leger. Maar al snel werd hij gegrepen door colleges over linkse, nationalistische Latijns-Amerikaanse leiders. „Tegen de tijd dat ik 21 of 22 was, had ik mezelf omgevormd tot een man van links”, zei Chávez later.

In de jaren tachtig was hij betrokken bij de oprichting van twee geheime genootschappen, die Marxisme en nationalisme vermengden en dat ‘Bolivarianisme’ doopten. Ze verzetten zich tegen buitenlandse bemoeienis, zoals de economische adviezen die Latijns- Amerika kreeg van internationale geldschieters.

Op 27 februari 1989 braken rellen uit in de sloppenwijken van Caracas. President Carlos Andrés Pérez had de benzinesubsidies verlaagd op aandringen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Het leger kreeg opdracht om te schieten. Er vielen vielen minstens 300 doden.

Chávez lag in het ziekenhuis met waterpokken en stond niet voor de moeilijke keuze om te schieten op zijn landgenoten. Vervuld met afschuw over de ‘genocide’, zoals hij het noemde, besloot de toenmalige luitenant dat de tijd was aangebroken voor een staatsgreep.

De coup, drie jaar later, werd een fiasco. Het plan was uitgelekt en een deel van de samenzweerders liep in de val toen ze president Pérez gevangen wilden nemen. Chávez, nog in uniform, verscheen op televisie. Hij zou de overgebleven coupplegers bevelen zich over te geven. Maar eenmaal live richtte hij zich tot het volk. De machtsovername was „voor dit moment” mislukt, maar nieuwe kansen zouden komen.

Chávez, inmiddels beroemd, kwam na twee jaar vrij en koos voor de politieke weg. Hij sloot zich aan bij een linkse partij en reisde door Latijns-Amerika om steun te vergaren. In Cuba ontmoette hij Fidel Castro, een ‘vader’ die hem ideologische sterk zou beïnvloeden.

In Venezuela groeiden in de jaren ’90 de armoede en het geweld. Als buitenstaander won Chávez de presidentsverkiezingen van 1998. Met zijn charisma en zijn vurige betogen tegen de elite bereikte hij een grote, verwaarloosde kiezersgroep: de massa’s in de sloppenwijken.

De veranderingen kwamen direct. Hij liet de grondwet herschrijven, zodat het hele volk werd vertegenwoordigd en niet slechts de rijken. Hij verkocht de presidentiële limousine en doopte het land om tot ‘de Bolivariaanse Republiek van Venezuela’. Het paard op het nationale wapen galoppeerde voortaan naar links in plaats van rechts.

Ondanks de revolutionaire symboliek voerde Chávez in zijn beginjaren een gematigd, centrum-links beleid. Hij bleef de adviezen van het IMF volgen – ondanks zijn tirades tegen het ‘imperialistische neoliberalisme’. Hij bezocht de beurs van New York om buitenlandse investeerders te overtuigen dat hun geld veilig was in zijn land.

De president met zijn rode legerbaret gebruikte de olierijkdom van Venezuela om het leven van de armen te verbeteren. In 1999, precies tien jaar na het bloedbad van de Caracazo, lanceerde hij ‘Plan Bolívar 2000’. Militairen repareerden wegen en ziekenhuizen gaven gratis inentingen. „We gaan het volk overweldigen met liefde in plaats van lood”, zei Chávez.

Chávez wist hoe hij de emoties van het volk kon bespelen. In zijn radio- en televisieprogramma Aló Presidente danste en zong hij met aanhangers en omhelsde hij huilende zieken die gratis hulp kregen. En passant haalde hij het wereldnieuws met scheldpartijen tegen zijn zelfbenoemde buitenlandse vijanden, zoals de Amerikaanse president George W. Bush.

De hogere klasse van Venezuela gruwde van dit populisme. Velen vertrokken naar de Verenigde Staten, wachtend op de val van deze politieke parvenu. Ook bij het staatsolieconcern PDVSA groeide de weerstand. De oliewinst werd verkwanseld aan ondoordachte megaprojecten, vond de leiding.

Bij het aantreden van Chávez kostte een vat ruwe olie minder dan 20 dollar, bij zijn herverkiezing in 2006 was dat al 60 dollar. Als leider van een van de grootste olieproducenten ter wereld kon de president zijn populariteit verstevigen met hoge ambtenarensalarissen, projecten voor de armen en investeringen in wegen.

Ook in het buitenland kocht hij invloed. Bondgenoten kregen goedkope Venezolaanse olie. De Castro’s in Cuba stuurden in ruil artsen voor de gezondheidsprojecten in de sloppenwijken. Chávez provoceerde Amerika met zijn vriendschap met Iran, Libië en Cuba. Maar tekenend voor hun wederzijdse afhankelijkheid bleven de VS olie kopen van Venezuela.

Chávez’ antikapitalistische toespraken verhulden een pragmatische handelsgeest. Meer dan een socialist was hij een grondstofnationalist: een leider die de rijkdommen van zijn land inzette voor trots en onafhankelijkheid – en daarvoor werd aanbeden.

De persoonlijkheidscultus werd nog sterker toen Chávez in juni 2011 bevestigde dat er een kwaadaardig gezwel uit zijn bekken was verwijderd. Bij iedere ronde bestralingen in Cuba werd er voor hem gebeden in de kerken van Caracas. Zijn aanhangers droegen t-shirts met ‘Yo soy Chávez’ – ‘Ik ben Chávez’.

Hoe groot zijn macht was geworden bleek toen de president binnen twee maanden na de verkiezingen moest toegeven dat zijn kanker terug was. De oppositie eiste nieuwe verkiezingen. Maar de socialisten, die het parlement en het Hooggerechtshof domineren, stelden zijn inauguratie uit voor onbepaalde tijd. Zo werd Venezuela de afgelopen maanden geregeerd door een aan bed gekluisterde president.

Nu hij dood is, staat er al een mini-Chávez klaar: vicepresident Nicolás Maduro. De voormalig buschauffeur en vakbondsman heeft zijn vurige uitvallen en liefde voor trainingspakken overgenomen. Hij zegt dat hij de erfenis van Chávez zal bewaken. Maar de socialistische revolutie vertoont steeds meer barsten: de economie stagneert, het geweld neemt toe.

Als het model instort worden de armen het sterkst geraakt, zoals vaker is gebeurd in de achtbaan van de Venezolaanse olie-economie. Maar waarschijnlijk krijgt hun held Chávez niet de schuld. De volkse oliekoning kan zijn plaats innemen naast Bolívar in het pantheon van onsterfelijke Latijns-Amerikaanse leiders.