Nieuw platform

Hoe kunnen de media zich vernieuwen? Rob Wijnberg, ex-hoofdredacteur van nrc.next, hoorde ik deze week in De Balie in Amsterdam zijn plannen voor een nieuw initiatief ontvouwen.

Hij wil een digitaal platform voor kwaliteitsjournalistiek lanceren. Daarvoor gaat hij potentiële leden werven die bereid zijn zestig euro per persoon te investeren. „Als we genoeg budget hebben, beginnen we.” Hij wil klein beginnen, niet met financiers in zee gaan die hoge rendementen eisen.

Geert Mak, een van de panelleden die met hem discussieerden, zat het instemmend aan te horen. Hij vindt dat de kwaliteitskranten tegenwoordig te weinig diepgang hebben, niet omdat de redacties lui zijn, integendeel, maar omdat ze door hun eigenaren financieel worden uitgeknepen. De druk op de redacties is te groot voor bijvoorbeeld de slow journalism waar hij een voorstander van is; hij noemde de sociale reportages destijds in Vrij Nederland (later ook in NRC Handelsblad) van Gerard van Westerloo.

Wijnberg stelde zich bescheiden op, hij dichtte zijn initiatief vijftig procent kans van slagen toe. „Meer niet. De vraag is of er genoeg publiek voor is.”

Het lijkt mij een redelijke schatting. Waarom? Laat ik aan de positieve kant beginnen. Waarom zou Wijnberg niet kunnen lukken wat Vrij Nederland in de tweede helft van de vorige eeuw lukte: een groei van een opinieblad met een kleine oplage naar een weekblad van ruim 100.000 abonnees dankzij eigenzinnige kwaliteitsjournalistiek?

Zijn voornaamste opgave is een redactie te formeren die het nodige kan toevoegen aan het huidige aanbod. Metajournalistiek en fact checking, genres waar Wijnberg van houdt, zullen niet voldoende zijn. Hij bleef nogal vaag over die inhoudelijke kant: er moest vooral een thematische aanpak komen. Zo zou hij liever een ‘correspondent nulgroei’ dan zomaar een correspondent benoemen.

Ook wil hij de journalistiek meer personaliseren; ik begreep dat hij journalisten wil die op basis van allure en deskundigheid een eigen publiek opbouwen.

Ook dat streven deed me aan de vroegere Vrij Nederland denken. Als Wijnberg die kant op wil, zal hij exceptionele journalistieke talenten om zich heen moeten verzamelen. De nieuwe Martin van Amerongen voor de beschouwelijke reportages, de nieuwe Bibeb voor de interviews, de nieuwe Joop van Tijn voor de Haagse politiek, de nieuwe Frits Barend en Henk van Dorp voor de sport, de nieuwe Renate Rubinstein voor de columns en de nieuwe Gerard van Westerloo voor de sociale journalistiek. Zelf kan Wijnberg dan de nieuwe Rinus Ferdinandusse worden.

Ik bedoel niet dat Wijnberg een nieuwe versie van Vrij Nederland moet maken, maar hij moet wel de Vrij Nederland van zijn tijd zien te maken. Ischa Meijer, zelf ook zo’n talent, zou zeggen: „Waai not?” Toen Vrij Nederland destijds aan een nieuwe koers begon, had het minder dan vijftig procent kans.

Toch moet ik nu, zoals beloofd, het negatieve scenario voor Wijnbergs platform schetsen. Vrij Nederland kon opbloeien in een tijd dat de dagbladen weinig extra’s boden. Toen de dagbladen hun formule uitbreidden met bijlages, werd de opmars van Vrij Nederland tot staan gebracht. Mak en Wijnberg gaan er vanuit dat de huidige kwaliteitsbladen hun lezers te weinig diepgang bieden. Maar wie zegt dat de lezers dat vinden? Als Wijnberg hier een verkeerde inschatting maakt, is het gedaan met zijn platform.