Nederlands lab naast slapende vulkaan

Na deze zomer opent Nederland een nieuw onderzoekscentrum op St. Eustatius. De waterleiding is al aangelegd.

Zee-ecologen willen onderzoek doen naar de koralen van de Sababank, een ondiep ‘onderwatereiland’. Foto Stephen Frink/CORBIS

Sint Eustatius, sinds 2010 een bijzondere Nederlandse gemeente, is een bijzonder eilandje. Drie beschermde natuurgebieden, inclusief slapende vulkaan, op en rond 21 km2 – één van die nationale parken bestaat uit water. Water met ongerepte koraalriffen, waarin ook nog scheepswrakken liggen uit de 18de-eeuwse economische bloeitijd van het eiland. St. Eustatius was een groot handelscentrum van de West-Indische Compagnie, een centrum van de slavenhandel. Rond 1780 kwamen er 8 à 9 schepen per dag in de haven van het eilandje. Er woonden toen wel 20.000 mensen op het eiland – nu nog geen 4.000. Voor geologen, archeologen, (zee-)ecologen, antropologen, historici en andere wetenschappers is het eiland en zijn omgeving een prachtig gebied om onderzoek te doen.

Gisteren werd bekend dat na de zomer een multidisciplinair wetenschappelijk centrum van start gaat op St. Eustatius, het Caribbean Netherlands Science Institute at St. Eustatius (CNSI). Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) trekt de komende vijf jaar 10 miljoen uit voor onderzoek en 2,5 miljoen voor huisvesting van het centrum. „De benedenwindse eilanden hadden al een kenniscentrum, het Carmambi op Curaçao”, aldus een woordvoerder van OCW, „en nu krijgen wetenschappers ook op de bovenwindse eilanden een vertrekpunt voor hun onderzoek in de regio.” En voor scholing, voor tentoonstellingen en ander toerisme. „Daarmee is het een belangrijke impuls voor het eiland”, aldus OCW.

Een impuls die het eiland goed kan gebruiken. „Van de Kamer van Koophandel tot de middelbare school en van het toeristenbureau tot de bibliotheek – iedereen kijkt uit naar de komst van zo’n centrum”, zegt Tjeerd van Weering.

Van Weering bracht het afgelopen jaar voor het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) in kaart wat er organisatorisch allemaal moet gebeuren om het CNSI te realiseren en hoe het gehuisvest moet worden. Van Weering (68) is emeritus-hoogleraar geologie en heeft werkervaring in allerlei landen, van China, India en Bangladesh tot aan Guyana en Vietnam. Dit vond hij „een erg interessante opdracht”, vertelt hij in een Amsterdams café met uitzicht op het IJ.

Samen met een collega bezocht Van Weering vorig jaar het eiland. Ze inspecteerden het pand waar het CNSI waarschijnlijk gevestigd zal worden: een voormalig hotel (the Talk of the Town, heette het) dat daarna als politiebureau heeft gefungeerd. „Je hebt een plek nodig waar je een tentoonstelling kunt organiseren, een cursus geven, een symposium organiseren voor dertig, veertig mensen. En er komt een lab en acht appartementen voor twee mensen. Nee, nee, die slapen niet in de voormalige cellen, die gaan eruit. Er zijn mooie kamers. Als ik student was, zou ik bij zo’n plek een onderzoeksonderwerp zoeken.”

Het centrum moet in elk geval voor oktober startklaar zijn – dan begint het orkaanseizoen. „Maar dit gebouw is zo stevig, daar is geen wegwaaien bij. De verbouwing valt te overzien. En er is recent op het eiland waterleiding aangelegd”, voegt Van Weering opgewekt toe. „Vorig jaar nog.” Was dat er dan nog niet? „Nee, wat men daar heeft, nog steeds wel hoor, dat zijn grote waterkelders onder de huizen. Met regenwater dat door de grond wordt gefilterd. Lekker water hoor. Mensen zijn er gewoon niet gewend om voor water te betalen, dus ze waren niet eens zo heel blij met waterleiding.”

Ook zijn ervaring met de plaatselijke bank was anders dan we hier gewend zijn. Het kost aanmerkelijk meer tijd om een rekening te openen.

Van Weering hoopt dat het CNSI een gunstige invloed zal hebben op het eiland. Dat het perspectief biedt aan de jongeren. „Er is één middelbare school op het eiland, op havo-niveau, dus wie verder wil moet van het eiland af. Dan zie je dat de jonge mensen weggaan en de ouderen achterblijven.” Ook op het gebied van toerisme valt er nog heel wat te winnen. „Er is bijvoorbeeld een prachtige botanische tuin, alleen die ligt op een plek waar je als eenvoudige toerist behoorlijk doorzettingsvermogen voor moet hebben om er te komen. Het wegennet is abominabel, overal gaten. En de mensen zijn zich onvoldoende bewust van de waarde ervan , inclusief de waarde van natuur en biodiversiteit.”

Een voorbeeld: „Als je auto het daar niet meer doet, is het moeilijk om aan onderdelen te komen. Voor alles wat je in een gemiddelde winkel in een gemiddeld Nederlands dorp wel kunt kopen, moet je naar St. Maarten of naar Amerika. Dus dan zetten ze die auto zolang even neer – en die raakt dan overwoekerd door onkruid. Ik zou het leuk vinden als St. Eustatius het ‘groene denken’ ook meekrijgt en ontwikkelt.”