Italianen vinden politiek te duur

Protestpoliticus Beppe Grillo stort het geld dat zijn partij kreeg om de campagne te financieren terug in de staatskas. De andere partijen aarzelen.

Beppe Grillo heeft een cadeautje beloofd aan de Italiaanse belastingbetalers: ze krijgen bijna 43 miljoen euro terug. Dat is het bedrag aan publieke partijfinanciering waar de protestpartij van Grillo recht op heeft, gezien de uitslag van de verkiezingen. Maar Grillo is mede de grootste partij geworden doordat hij pleit voor afschaffing van staatssteun aan politieke partijen. Daarom kondigt hij nu aan dat die 43 miljoen worden teruggestort in de schatkist.

Als andere partijen dat ook doen, wil ik best nadenken over een vorm van samenwerking, heeft Grillo getwitterd. Veel kiezers beschouwen de politieke klasse als een kaste. Vermindering van de kosten van de politiek is een agendapunt dat alle andere partijen hebben overgenomen.

Pier Luigi Bersani, de linkse leider die in de patstelling na de verkiezingen als eerste een formatiepoging moet wagen, reageert meteen zuinigjes. „Ik ben het daar niet mee eens.” Politiek kost nu eenmaal geld, zegt hij. Veel kiezers zien dat anders. Is het geld dat de fracties in Kamer en Senaat krijgen, dan niet genoeg? In 2011 was dat bij elkaar opgeteld 75 miljoen euro. Daar komt ook de staatssteun voor partijkranten bij, voor tientallen miljoenen, en de financiële hulp op regionaal en lokaal niveau.

Het thema maakt heftige emoties los in Italië. De Lega Nord en de vroegere centrum-linkse partij Margherita, in 2007 opgegaan in de Democratische Partij, blijken die publieke fondsen voor allerlei privé-uitgaven te hebben gebruikt. In de regio Lazio is het rechtse regiobestuur gevallen over misbruik van geld dat voor de partijen was bestemd. En bovendien: had de kiezer niet al in 1993 besloten dat het afgelopen moest zijn met die publieke financiering van politieke partijen?

In dat jaar werd een referendum gehouden waarin negentig procent van de kiezers voor afschaffing koos. Maar de politieke partijen verzonnen met elkaar een uitweg. Nog datzelfde jaar kwam er een vergoeding voor ‘uitgaven in verkiezingscampagnes’. In 1994 was dat nog 47 miljoen euro. Maar beetje bij beetje werd dat bedrag verhoogd en werden de regels opgerekt. Je hoefde steeds minder bonnetjes te laten zien, van verantwoording voor de uitgaven was nauwelijks sprake. In 2002 werd een wet aangenomen die weer een stapje terug deed: er kwam een fonds van 400 miljoen euro en de drempel voor partijen om er aanspraak op te maken, werd verlaagd van vier naar één procent van de stemmen. Dus ook partijtjes die de kiesdrempel van vier procent niet haalden, konden geld krijgen uit de schatkist.

Ook al was het beschikbare bedrag voor de verkiezingen van vorige maand meer dan gehalveerd, veel kiezers blijven boos dat de partijen ook in de crisis goed voor zichzelf zorgen. Matteo Renzi, de coming man in Bersani’s Democratische Partij, had daar een betere neus voor. Zijn voorstel: laten we de miljoenen voor Grillo en voor ons (de PD krijgt 45 miljoen) in een fonds stoppen om sociale woningbouw te stimuleren.