Er is druk. En er is een ontsnapping: epo

De voormalig kroonprins van het Nederlandse wielrennen valt van zijn troon Boogerd gebruikte tien jaar lang doping Over teamgenoten praat hij niet

Eerder deze week stond Michael Boogerd met zijn zoontje op het voetbalveld. „Komt er zo’n ventje van acht naar me toe. ‘Hé Michael, ik zag op het nieuws dat jij doping hebt gebruikt’, zegt hij. En daar staat dan jouw eigen ventje van acht naast. Ik voelde me zo rot. In wat voor klotesituatie ben ik nou beland, dacht ik.”

De druk wordt te groot, de last op de schouders van de voormalig Raborenner te zwaar. Hij voelde zich de afgelopen tijd een „nationale schietschijf”. Vooral daarom besluit Boogerd nu toch om toe te geven dat ook hij, net als vele generatiegenoten, tijdens zijn wielercarrière doping gebruikte. „Epo, cortisonen en bloedtransfusie.” Voor het eerst in 1997 „tijdens een trainingsperiode”. Voor het laatst in 2007, het jaar waarin hij stopte. „Ik ben een aantal keren in Oostenrijk geweest om bloed af te geven, de laatste jaren van mijn carrière.”

Het is nu: tot hier en niet verder

Boogerd (40) lag de laatste weken regelmatig onder vuur door aanhoudende berichtgeving over zijn betrokkenheid bij een bloeddopingaffaire rond de Oostenrijkse atletenmakelaar Stefan Matschiner. NRC publiceerde vorige week een rekening van bijna 17.000 euro, die Boogerd moest betalen aan de later veroordeelde dopingdealer. Tot nu toe wilde Boogerd dopegebruik nooit bevestigen. Vanavond doet hij ook zijn verhaal in het NOS-programma Studio Sport. „Overal duiken verhalen op, het wordt maar erger en erger. Voor mij is het nu: tot hier en niet verder.”

Waarom hij dopegebruik altijd bleef ontkennen en nu wel praat? „Er zijn maar heel weinig sporters of wielrenners die op een ochtend wakker werden en zomaar uit zichzelf zeiden: ‘ik ga vandaag bekennen.’ Ik durfde niet. Je voelt je er heel ongemakkelijk onder, wil niet graag en public een bekentenis doen omdat het moeilijk en pijnlijk is. Daarom heb ik er zo lang mee gewacht. Ik heb nu pas de moed en de kracht kunnen vinden. Ik hoop dat er hierdoor een last van mijn schouders valt en dat ik wat fijner verder kan met mijn leven.”

In eerste instantie hoopte Boogerd mee te doen aan een collectieve bekentenis met een aantal van zijn generatiegenoten. „Maar ik heb het gevoel dat die er niet van gaat komen.” De laatste maanden voelt hij zich gezocht, als voormalig boegbeeld van het Nederlandse wielrennen. „Op sommige momenten heb ik het idee gehad: ze willen alleen maar mijn scalp, daar moet alles voor wijken. Ik heb het gevoel dat ik de enige ben die er zo wordt uitgelicht. Dat doet zeer, zeker als je weet hoe in mijn tijd de cultuur in het wielrennen was.”

Boogerd benadrukt de omstandigheden waaronder hij zijn keuzes moest maken. Als junior en amateur hoorde hij bij de besten van de wereld. „Vanaf mijn dertiende deed ik alles voor het fietsen.” Maar als beginnend prof kwam hij er in 1994 en 1995 niet aan te pas tegen buitenlandse renners, die massaal het wondermiddel epo gebruikten. „Ik deed er echt alles voor. Qua voeding, training, beleving. Maar ik kwam in die wereld niet aan de bak.”

Intussen verweten sommige media en ploegleiders de jonge Nederlanders gebrek aan trainingsijver. „Patatgeneratie, werden we genoemd.”

Ik kon gewoon niet meedoen

In de Raboploeg leeft hij in 1996 op, onder impuls van nieuwe mensen en trainingmethodes. Boogerd wint zelfs een Tourrit, in Aix-les-Bains. „Maar daarna was ik gewoon weer Jan met de korte achternaam. Echt kapot, ik kon gewoon niet meedoen. Toen ontstond er een soort angstgevoel. Een Tourrit winnen op je vierentwintigste is misschien het mooiste wat er is. Daarna kwam wel het gevoel dat ik moest bevestigen.”

Er is druk om te presteren, vanuit de ploeg en de media. En er is een ontsnapping. „Je hoort dat renners dat product nemen, epo. Dat het niet traceerbaar is en makkelijk te verkrijgen. Je herstelt er beter van en ze zeggen dat het niet schadelijk is voor je gezondheid. Dan moet je erg sterk in je schoenen staan, een echte moraalridder, om te zeggen: ‘nee, daar begin ik niet aan’.”

Bedrog? „Op dat moment had ik ook niet het idee dat ik iets fouts deed. Meer dat het gemeengoed was, dat het een cultuur was waar ik in zat. Het was ook niet gezond om altijd met een hematocriet van 37 rond te fietsen. In die tijd was het voor mijn gevoel niet mogelijk om zonder dat product op topniveau te koersen.”

Op details over zijn dopegebruik – welke middelen in welke periode – gaat Boogerd niet in. „Het is een periode geweest. Epo gebruik je in de voorbereiding op wedstrijden. Op details wil ik niet ingaan, het kost me sowieso al veel moeite om te bekennen. In die periode heb ik het regelmatig gebruikt. Maar soms ook helemaal niet. Ik heb meerdere Tours clean gereden.”

Hij bestrijdt dat er in de Raboploeg een dopingsysteem was, zoals dat naar voren kwam over de ploeg van Lance Armstrong in het Usadarapport en het boek van Tyler Hamilton. „Wat ik daarin lees, die praktijken, heb ik nooit gezien bij Rabobank. Dat het zover ging. Dat is voor mij een andere wereld. Men wil nu soms het beeld boven water krijgen dat er bij Rabobank eenzelfde soort cultuur heerste. Maar in mijn beleving was dat absoluut niet zo.”

Ik zal nooit over anderen praten

Boogerd vertelde zijn verhaal vorige week bij de Dopingautoriteit en koos ervoor om daarbij geen namen van anderen te noemen. Ook al loopt hij daarmee strafvermindering mis. „Ik zal nooit over andere renners, begeleiders of mensen uit de sport praten. Dat zal me misschien juridisch gezien problemen opleveren. Ik breng mezelf misschien in een moeilijker pakket dan wanneer ik wel over andere renners iets zou verklaren. Maar ik heb gekozen om dat niet te doen. Ik wil zelf de verantwoordelijkheid nemen voor mijn daden en alleen mijn eigen verhaal vertellen.”

Andere renners hebben in de media en tegen de Dopingautoriteit wel zijn naam genoemd. „Blijkbaar. Ik weet niet precies wat er over mij is gezegd. Maar ik heb wel het gevoel dat er over mij is gepraat. Dat vind ik kwalijk. Wat me het meest heeft gestoord, is dat je zoveel anonieme dingen leest. Misschien over mij, maar ook over anderen. Ik zou het fijner vinden als diegenen dan ook hun vinger opsteken en openlijk zeggen wat ze over mij te melden hebben.”

Houdt hij de omerta in stand, door niet te vertellen wat hij weet over anderen? „Dat heeft niets te maken met omerta, maar alles met mijn opvoeding. Als het straks hopelijk wat beter met me gaat, kan ik mezelf recht aankijken in de spiegel. Dat vind ik een fijne gedachte, dat ik nog iets van mijn principes overeind heb gehouden. Ik vind het verschrikkelijk om dingen te zeggen over anderen, zeker anoniem. Als ik daaraan ga beginnen, hoef ik niet meer bij mijn vader thuis te komen. En mijn opa draait zich om in zijn graf.”

Hij heeft zelf zijn keuzes gemaakt en is zelf verantwoordelijk voor de gevolgen, stelt Boogerd. Spijt vindt hij geen goed begrip. „Dat heb ik ook niet echt over wat ik heb gedaan. Ik hoop op wat begrip voor mijn keuzes. Waar ik wel spijt van heb, is dat ik in een bepaalde cultuur heb gefietst en dat ik die cultuur mee in stand heb gehouden. Ik was ook liever prof geweest in een andere tijd.”

„Fietsen was en is mijn passie. Ik heb er altijd alles voor gegeven. Ik hoop dat mijn zoontje nooit voor die keuze komt te staan die ik heb moeten maken, als hij ooit gaat fietsen, misschien wel goed gaat fietsen en prof kan worden.”