Economen weten het niet meer, net als in de jaren zeventig

Leven we in een episch drama voor de macro-economie? Het lijkt er steeds meer op. Toen gaandeweg de jaren zeventig niets leek te helpen om de wegrennende inflatie te beteugelen, terwijl de economie in het slop raakte, begon een zoektocht naar een nieuwe standaard voor het management van de economie. De leer van Keynes, of afgeleiden daarvan, had zich na de jaren dertig van vrijwel al zijn rivalen ontdaan. Planning en maakbaarheid waren de norm. Macro-economie werd gezien als een wetenschap. De naam ‘Centraal Planbureau’ is er nog een echo van.

Een mengeling van ‘monetarisme’ en wat de ‘neoklassieke’ lijn werd genoemd, nam de scepter over. En ook dat ging, vanaf het begin van de jaren tachtig, lang goed. De inflatie daalde en stabiliseerde zich uiteindelijk, in wat het tijdperk van de Great Moderation genoemd zou gaan worden. Ondernemers mochten de schuilkerk weer uit, bankiers werden rolmodellen en centralebankiers verwierven de status van moderne Gandalfs: mystieke strijders voor het goede, zij het doorgaans op leeftijd.

En nu? Wie nu de term Grote Matiging loslaat op de afgelopen tien, vijftien jaar kan weinig anders dan in de lach schieten. De ongekende vrijheid die met name de financiële sector mocht genieten, samen met een vrijpostig monetair beleid van de Gandalfs, heeft geleid tot de grootste kredietexplosie in de geschiedenis. Hoe de scherven op te ruimen is nu de vraag, en dat is al een jaar of vier zo.

Dat iedereen het even niet meer weet, is niet zonder precedent. Ook de Keynesianen (en dat was vrijwel iedereen) doolden in de jaren zeventig lange tijd rond toen de realiteit zich niet langer wenste te voegen naar de theorie. Tussen de eerste olieschok van 1973 en de eerste daadwerkelijke monetaire ingreep van de Amerikaanse centralebankier Paul Volcker in 1979 lag maar liefst zes jaar.

In Japan trad vorige week Haruhiko Kuroda naar voren als de beoogde nieuwe baas van de centrale bank. Hij is de keus van premier Shinzo Abe die drie maanden geleden werd gekozen op basis van een radicaal economisch program: Abenomics, waarbij de centrale bank in wezen grote hoeveelheden geld drukt en de overheid grote sommen geld uitgeeft om het dalen van de prijzen in Japan te stoppen, de economie aan te jagen en en passant de yen te verzwakken. Dat is link: de staatsschuld van Japan bedraagt al 230 procent van het bbp.

In Europa vergadert donderdag de ECB te midden van een opkomende – en aanzwellende – storm van kritiek. Ook daar valt radicaal te kiezen. De centrale rente kan nog wat omlaag, vanaf het huidige peil van 0,75 procent, maar dan zal het allerlaagste tarief, de depositorente, waartegen banken in nood hun geld kunnen stallen, negatief worden. Durven ze dat aan? Wellicht niet. Maar het experimenteren zal voorlopig doorgaan. Tot een nieuw samenhangend idee, een nieuw paradigma, voor de economie is gevonden. Net als in de jaren zeventig. Eens zal Gandalf de Grijze toch Gandalf de Witte moeten worden.

Maarten Schinkel is economisch commentator van NRC. Op deze plek schrijft hij elke woensdag een column over economie.