De Eerste Kamer

Vorige week vrijdag stond er een vraaggesprek met mij in deze krant. Daarin bepleitte ik het tot stand komen van een breder kabinet, steunend op een meerderheid in beide Kamers van de Staten-Generaal. VVD en PvdA met het CDA en D’66. Het huidige regeerakkoord – nog niet eens een half jaar oud – is toch al over datum en op een aantal punten doorkruist of aangepast. Uiteraard past daarbij ook dat CDA en D’66 een passend aantal behoorlijke ministersposten verkrijgen.

Het gaat mij om het herstellen van de fouten die bij de vorming van het huidige kabinet zijn gemaakt. Het was haastwerk. Er was op de televisie een tweetal jolige, euforische, mannen te zien. En de grootste fout was dat de heren het feit dat hun kabinet niet kon rekenen op een meerderheid in de Eerste Kamer, als een quantité négligeable afdeden. Toen onverstandig. Nu blijkt dat stabiel regeren daardoor heel moeilijk is. Een breder politiek draagvlak is wenselijk. Een meerderheid in de Eerste Kamer. Het vertrouwen dat ombuigingen en stimuleringen van onze economie ook worden gerealiseerd.

Er is wel één verzachtende verklaring voor het roekeloze gedrag van Rutte en Samsom: de huidige voorzitter van de Eerste Kamer heeft bij de formatie, misschien onbedoeld, misschien naïef, zich laten gebruiken.

Bevraagd door ‘verkenner’ Kamp, zei voorzitter De Graaf dat de senaat in de eerste plaats de kwaliteit van de wetsontwerpen, die de Tweede Kamer gepasseerd hebben, toetst. Op zich wel waar, maar onvolledig.

De Eerste Kamer is een politiek instituut. Een belangrijk recht dat de Tweede Kamer wel heeft: het recht van amendement, van het wijzigen van wetsontwerpen die de regering bij het parlement indient, heeft de senaat niet. De Eerste Kamer kan wetsvoorstellen alleen aannemen of verwerpen. Kan ook bewerkstelligen dat bewindslieden of zelfs kabinetten aftreden. Direct of indirect.

Denk aan het vertrek van staatssecretaris Kranenburg, na een reeks van frontale aanvallen op zijn beleid door de fameuze fractievoorzitter van de VVD in de Eerste Kamer, Mr. H. van Riel, die daarbij gesteund werd door De Telegraaf.

Denk aan de fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer, Kaland, die zich niet liet wegblazen door zijn partijgenoot, minister-president Lubbers. Die er – buiten het parlement gesteund door de toenmalige voorzitter van het VNO, Rinnooy Kan – in slaagde dat het wetsontwerp van staatssecretaris Simons tot herziening van het zorgverzekeringsstelsel werd verworpen en de staatssecretaris zelve ook verdween.

De Eerste Kamer kent haar plaats. De Tweede Kamer heeft het eerste woord, de senaat het laatste.

Nu het kabinet Rutte/Asscher een minderheidskabinet is, is de Eerste Kamer ook nog in een geheel nieuwe situatie terecht gekomen. Ze heeft bij de wetgeving niet alleen het laatste woord, ze heeft nu in de Tweede Kamer een machtsbastion verkregen. Zo’n verstrengeling is onwenselijk. Zij vermengt en verminkt de eigenstandige verantwoordelijkheden van Tweede en Eerste Kamer. Natuurlijk zijn de Haagse machthebbers publiekelijk niet enthousiast over mijn idee.

Een meerderheid van de kiezers – blijkt uit recent onderzoek – is het met mij eens. Verder gaan en strategisch nadenken kan helpen.

Hans Wiegel is oud-leider van de VVD. Deze wisselcolumn op woensdag verzorgt hij beurtelings met SP-voorzitter Jan Marijnissen.