Beetje jaren 50

Als de deur opengaat, staat daar een vrouw met een baby op haar arm. Ze nodigt me uit binnen te komen, vraagt of ik koffie wil. Ik kijk de kamer rond: geen aktetas vol brochures, geen krijtstreeppak, geen weidse armgebaren – geen makelaar. „Ik verkoop het zelf”, zegt ze, terwijl ze de baby in de

Als de deur opengaat, staat daar een vrouw met een baby op haar arm. Ze nodigt me uit binnen te komen, vraagt of ik koffie wil. Ik kijk de kamer rond: geen aktetas vol brochures, geen krijtstreeppak, geen weidse armgebaren – geen makelaar. „Ik verkoop het zelf”, zegt ze, terwijl ze de baby in de box legt. „Dat leek me het prettigst.” Ik antwoord niet. Tegen een makelaar kan je alles zeggen. Tegen een makelaar wil ik alles zeggen: hoe scheef de vloer is, dat de badkamertegels doen denken aan die van een abattoir, of hij zelf weleens geprobeerd heeft om muurstickers ergens weer af te krabben. Tegen haar wil ik dat niet. Ik weet hoe dat is.

In het bad hadden zeeslagen plaatsgevonden tussen een plastic Bert en Ernie

Mijn oma was plots overleden – een hartinfarct terwijl ze op de bank zat. Voor haar was het fijn dat ze het niet zag aankomen. Voor ons was het moeilijk dat ook wij het niet hadden zien aankomen: geen afscheid, geen verloop, geen ontwikkeling – dan is wennen lastig. Niet lang daarna waren mijn moeder, mijn oom en ik in haar huis: er kwamen nieuwe bewoners.

De man van de woningbouwvereniging trok zijn jas niet uit. We stonden in de huiskamer naast de piano en de uitschuifbare eettafel. „Die vloer, wat is dat?”, vroeg hij. Mijn moeder antwoordde dat het tropisch hardhout was. Hij knikte en zei toen: „De nieuwe huurders willen die niet overnemen. Hij moet er dus uit.” Ik keek naar de vloer, een oppervlakte van donker glad hout dat zich spiegelend voor me uitstrekte – wist hij dan niet dat je op deze vloer meters ver kon schaatsen als je dikke sokken droeg, bij voorkeur de zelfgebreide ruwe geitenwollen sokken die opgeborgen werden tussen de ribbels van de verwarming zodat ze altijd warm waren?

Maar hij liep de trap op om de badkamer te bekijken. Hij stond er maar even, het was geen moeilijk geval: helemaal eruit slopen. „Nieuw bad, aparte douche, nieuwe tegels”, zei hij. „Een badkamer moet tegenwoordig aan nieuwe eisen voldoen.” In het bad hadden zeeslagen plaatsgevonden, epische oorlogen tussen een plastic Bert en Ernie en verschillende badeendjes, mijn haar was er onder protest gewassen met niet-prik-shampoo en ik had er architectonische hoogstandjes van lobbige klodders schuim gebouwd. Zijn oordeel luidde anders: „Beetje jaren 50” – maar dan niet van de goede soort.

De zolder kon een slaapkamer worden, mijn opa’s oude vioolkamer een kantoortje, de grote boom uit de tuin moest gekapt – hij „zag de potentie” en „keek er doorheen”. Ik keek er ook doorheen, maar zag iets heel anders. Iets wat nooit plaats mocht maken.

Bij de vrouw met de baby bekijk ik het huis – ik knik, luister en zeg niets over wat er zou moeten veranderen. Het slopen kan altijd later nog.