'We hebben de zaak op orde'

Giftige melk belandde níét in de schappen van de supermarkten. Voor de diervoedersector het bewijs dat de voedselvei-ligheid is gewaarborgd.

Je kunt natuurlijk erg bezorgd worden over het nieuws dat er gevaarlijke stoffen zijn aangetroffen in veevoer en melk. Maar de agrarische sector draait het liever om. De zuivelindustrie en de diervoederbedrijven redeneren als volgt: dat deze kankerverwekkende stoffen zijn ontdekt, vóórdat ze schade aan de volksgezondheid hebben kunnen aanrichten, bewijst dat de controle op de voedselveiligheid deugt.

„Nergens zijn de normen voor diervoeders overschreden. We hebben de zaak op orde”, zegt directeur Francine van Rossem van Trust Feed, een stichting die namens het leeuwendeel van de diervoederbedrijven de veiligheid van de grondstoffen voor diervoeders bewaakt.

Gisteren werd bekend dat zes weken geleden op twee melkveebedrijven werd ontdekt dat de melk besmet was met de giftige stof aflatoxine, een product van schimmels die groeien in warmere landen onder vochtige omstandigheden, in graan, noten en maïs.

Lang werd gedacht dat giftige schimmelvorming vooral een probleem was bij oogsten buiten Europa. Dat is niet meer zo. Zelfs als de stof door een koe is opgenomen en via de melk wordt uitgescheiden, vergroot aflatoxine bij de mens het risico op het ontwikkelen van leverkanker. Ook voor dieren is de stof ongezond, ware het niet dat koeien en varkens niet oud genoeg worden om leverkanker te ontwikkelen.

De melk kon op tijd uit de productieketen worden genomen en heeft de supermarkten dus nooit bereikt. „Dankzij onze controle”, zo stelt de Nederlandse Zuivel Organisatie.

De besmetting van de melk was zes weken geleden „een van de signalen” voor de Nederlandse diervoederindustrie om verscherpte controles uit te voeren op grondstoffen voor diervoeders, vertelt Francine van Rossem van Trust Feed.

In de Duitse deelstaat Nedersaksen werden veel te hoge concentraties aflatoxine gemeten in een partij van 45.000 ton maïs uit Servië: ruim tweehonderd microgram per kilo, tien keer hoger dan de Europese limiet. Een deel van de besmette maïs was al verwerkt tot veevoer en kon niet meer worden tegengehouden.

Een gedeelte van dit veevoeder is vanuit Duitsland geleverd aan vijf bedrijven in Nederland en is aan de varkens gevoerd. Het lijkt goed te zijn afgelopen; de besmette maïs was zó zeer vermengd met andere grondstoffen, dat er „niet of nauwelijks” sprake is geweest van overschrijding van de normen, zo stelt de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit.

Ook over een tweede partij besmette maïs heerst voorzichtig optimisme. Deze maïs uit Roemenië kwam via België het land binnen, is verwerkt in drie Nederlandse diervoederbedrijven en vervolgens als veevoer aan een onbekend aantal varkensbedrijven geleverd.

Ook hier lijkt de gezondheid voor de mens niet in gevaar. „Er is bij consumptie van het vlees van deze varkens geen verhoogd risico voor de volksgezondheid”, aldus de Voedsel- en Waren Autoriteit.

Nederlandse diervoederbedrijven hebben inmiddels de verwerking in melkveevoeders van alle maïs uit Servië, Roemenië en Hongarije verboden. Vooralsnog tot en met vrijdag.

De maïsleveringen staan overigens „volledig los” van de besmettingen in de melk. De maïs werd vooral verwerkt in zogenoemde „aanvullende diervoeders”: relatief goedkope, energierijke mengsels die boeren kopen om het menu van ruwvoer voor hun dieren aan te vullen. Meestal gebeurt dat als het ruwvoer minder energie geeft dan verwacht.

De aanwezigheid van aflatoxine in grondstoffen voor veevoer is voor de diervoederbranche elk jaar opnieuw, als de nieuwe oogst granen uit met name Zuid-Amerika of Oost-Europa binnenkomt, een bron van zorg. Van Rossem van Trust Feed: „Over die nieuwe oogst weten we dan nog niets. Dus wat wij doen is van alles bemonsteren. Dat is een dure aangelegenheid. De enige die er rijk van worden, zijn de laboratoria.”

Met smart wachten de bedrijven op onderzoek aan het RIKILT Instituut voor voedselveiligheid van Wageningen Universiteit, dat de aanwezigheid van giftige schimmels en toxinen kan voorspellen aan de hand van onder meer het klimaat in de regio waar de grondstoffen worden verbouwd. Een betrouwbaar model zou gerichtere controles op risicovolle partijen mogelijk maken.

Ine van der Fels van het RIKILT: „We hebben het model voor aflatoxine in maïs ontwikkeld, maar nog niet getest. Een belangrijke factor bij het risico op deze schimmels is het lokale weer, maar ook het teeltmanagement speelt een rol.”

Onderzoeker Hans van Egmond: „Je moet zo veel mogelijk voorkomen dat de schimmel er al vóór de oogst in zit. Dat kan bijvoorbeeld door te irrigeren in perioden van droogte. Veel planten zijn tijdens de groei kwetsbaar voor besmetting met schimmels door droogtestress, waardoor de afweermechanismen minder goed functioneren.”